|
Kwakzalverij
|
Een arts kan zich schuldig maken aan kwakzalverij, waarvan u dan het slachtoffer bent. Sinds de invoering van de wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg (BIG) is kwakzalverij niet meer strafbaar en is het aan iedereen toegestaan, ongeacht opleiding of bekwaamheid, om beroepsmatig (tegen betaling dus) geneeskundige zorg aan te bieden. Hoewel zieken in Nederland dus volkomen vogelvrij zijn en dagelijks tallozen het slachtoffer worden van de meest ergerlijke vormen van bedrog, is het toch niet de bedoeling van de wetgever geweest dat mensen werkelijk schade zouden lijden. Kennelijk heeft men zich niet gerealiseerd dat een onwerkzame behandeling altijd schadelijk is. Is er geen lichamelijke of psychische schade, dan toch altijd financiële.
|
Wat is kwakzalverij
Onder kwakzalverij verstaan we het toepassen van behandelmethoden en/of onderzoeksmethoden waarvan het nut niet wetenschappelijk is aangetoond. We onderscheiden kwakzalverij in engere zin, d.w.z. bedreven door niet-artsen (voorheen onbevoegden), en zogenoemde medische kwakzalverij: het toepassen van waardeloze therapieën door artsen.
Omdat juist artsen door hun wetenschappelijke opleiding beter zouden moeten weten, verdient medische kwakzalverij zo mogelijk nog krachtiger bestrijding dan kwakzalverij in engere zin (lees verder op: www.kwakzalverij.nl).
De vereniging tegen de kwakzalverij
Het doel van deze vereniging is: evaluatie van alternatieve behandelwijzen en bestrijding van kwakzalverij in de ruimste zin van het woord.
De Vereniging tegen de Kwakzalverij wil een praatpaal zijn voor mensen (ook niet-leden) die op enige wijze nadeel hebben ondervonden van kwakzalverspraktijken of die nog van plan zijn een alternatieve genezer te raadplegen. Hebt u behoefte aan advies of voorlichting, of wilt u alleen maar van uw ervaringen vertellen, uw mail is welkom. Uiteraard wordt alles wat u schrijft als strikt vertrouwelijk beschouwd en als zodanig behandeld.
Secretariaat:
Prof. dr. F.S.A.M. van Dam
em. hoogleraar psychologie
e-mail: secretariaat@antikwak.nl
postadres:
Harmoniehof 65
1071 TD Amsterdam.
tel. : 06-20616743
OM onderzoekt dood patiënte na behandeling in privékliniek
Bron: Volkskrant, 1 november 2007
Het Openbaar Ministerie (OM) in Utrecht onderzoekt de dood van een 58-jarige patiënte na een behandeling in de Kliniek voor Preventieve Geneeskunde Berg en Bosch in Bilthoven. De vrouw leed aan borstkanker en bezocht de kliniek voor een alternatieve therapie. Ze overleed op 8 oktober in het VU-ziekenhuis in Amsterdam, kort nadat ze zich daar had gemeld met klachten.
Enige tijd geleden vond in de brievenrubriek van Medisch Contact een uitgebreide discussie plaats over het standpunt van de KNMG over alternatieve behandelwijzen. De KNMG wijst alle complementaire en alternatieve geneeswijzen af die niet door artsen worden uitgevoerd. Artsen mogen zulke geneeswijzen alleen onder voorwaarden toepassen. Zo moet eerst reguliere diagnostiek en therapie worden ingezet, mag de patiënt geen noodzakelijke behandelingen mislopen en geen risico lopen of schade lijden. Ook moeten artsen die alternatieve behandelwijzen toepassen aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als regulier werkende artsen. Het is echter geen formele kwaliteitseis dat artsen evidence-based werken. Sommigen vonden dit standpunt te lankmoedig ten aanzien van alternatieve geneeswijzen, anderen complimenteerden de KNMG juist met het genuanceerde standpunt.
Alternatieve geneeswijzen:
Acupressuur, Acupunctuur, Alexander-techniek, Aromatherapie, Ayurveda, Bach-bloesemtherapie, Bowen-techniek,Chinese kruidengeneeskunde, Chiropractie, Complementaire geneeswijzen, Hypnotherapie, Kleurentherapie, Kruidengeneeskunde, Magnetotherapie, Massage, Meditatie,Natuurgeneeswijze, Pilates,Tai Chi, Yoga
Inspectie (IGZ) wil aanscherping regels alternatieve behandelaars
17 oktober 2006
De Inspectie voor de Gezondheidszorg wil meer mogelijkheden om alternatieve behandelaars aan te pakken. Het blijkt voor de inspectie zeer lastig om gevaarlijke alternatieve praktijken te stoppen. Daarmee zijn patiënten onvoldoende beschermd tegen alternatieve zorgverleners die gezondheidsnadeel of schade aan patiënten berokkenen. Dat concludeert de inspectie naar aanleiding van het besluit van het Openbaar Ministerie om de alternatieve behandelaars van Sylvia Millecam niet te vervolgen. De inspectie adviseert de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om – in samenspraak met de inspectie en het Openbaar Ministerie – nadere regelgeving op te stellen. Bijvoorbeeld door de inspectie zelf meer bevoegdheden te geven om op te kunnen treden. Een andere mogelijkheid is om de strafbaarstelling in de Wet BIG aan te passen, bijvoorbeeld door "het in twijfel trekken van een door een arts gestelde diagnose, prognose of behandelplan" in de Wet BIG opgenomen worden als voorbehouden handeling.
REQUISITOIR zaak macrobiotische behandeling van kanker
Ressortsparket te Amsterdam, advocaat-generaal I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen
I. Inleiding
Op het einde van een lange zittingdag op 13 maart 2003 heeft het hof gesteld dat, ook al zou het hof tot een eventuele bewezenverklaring komen, daarin geen oordeel over de macrobiotiek als zodanig besloten zou liggen. Daarbij sluit ik mij graag aan.
Deze procedure gaat niet over macrobiotiek, maar over de vraag in hoeverre beïnvloeding van het zelfbeschikkingsrecht van de mens strafrechtelijk verwijtbaar kan zijn.
In 1998 ontving de Inspectie voor de Gezondheidszorg voor Noord Holland van de heer van D., ex-echtgenoot van mevrouw K., een klacht en een zwartboek over het handelen van verdachte als natuurgeneeskundige en/of macrobiotisch deskundige. De inspectie legde de klacht voor aan het OM. In opdracht van het OM stelde de politie een onderzoek in. Vervolgens werden diverse getuigen en deskundigen gehoord. Uit hun verklaringen ontstond het beeld van een enigszins goeroeachtige verdachte, onder wiens bezielende invloed zieke mensen hun heil zoeken in de macrobiotiek, al dan niet met uitsluiting van een reguliere medische behandeling. Dat laatste aspect was voor het OM reden om in te grijpen middels een strafrechtelijke vervolging.
De achterliggende gedachtegang is als volgt.
Mensen reageren verschillend als ze geconfronteerd worden met het feit dat ze een levensbedreigende ziekte onder de leden hebben.
In onze westerse, aan het aardse gehechte samenleving geven de meesten zich over aan het medische circuit. Met tegenzin uiteraard, maar overtuigd van de noodzaak.
Enkelen besluiten helemaal niets te doen en de natuur zijn gang te laten gaan. Dat kan zijn op grond van geloofsovertuiging of levensbeschouwing. Verdieping in gebed of overgave aan meditatie, in berustende afwachting van de dingen die komen gaan, is hun reactie.
Een heel andere reden om niets te doen kan zijn een alles overheersende afkeer van welke behandeling dan ook onder het motto: het middel is erger dan de kwaal; dan maar liever gewoon doodgaan. Tandenknarsend ziet men het einde tegemoet.
Maar er zijn ook mensen, die wel iets willen doen tegen hun ziekte, maar kritisch staan tegenover de reguliere geneeskunde. Zij zoeken naar andere wegen, als het even kan ter vervanging, maar desnoods ter aanvulling van de reguliere geneeskunde. Die kritische houding kan voortvloeien uit afkeer en angst – het middel erger dan de kwaal –, maar ook uit een bepaalde filosofie. En vaak zal het een combinatie zijn.
Dat laatste is aan de orde in beide voorliggende casus, die ik hierna kort wil schetsen.
Maar eerst het volgende.
Uiteraard is ieder mens geheel vrij in zijn keuze en lijkt elk strafrechtelijk ingrijpen met betrekking tot die keuze absurd.
Waarom i.c. dan toch strafvervolging?
Omdat – kort samengevat – in de voorliggende casus die keuze niet vrij is geweest, maar in relevante mate is beïnvloed door verdachte, met een voor betrokkenen fatale afloop. Daarmee gaat deze strafzaak niet over het zelfbeschikkingsrecht van ieder mens, dat in ons rechtssysteem voorop staat, maar over verwijtbare beïnvloeding van dat recht.
Verwijtbare beïnvloeding, omdat die invloed wordt uitgeoefend door iemand die zich beroepshalve bezig houdt met het bevorderen van een goede gezondheid en die door velen als autoriteit op dat gebied wordt beschouwd.
II. De feiten
Ik geef nu even kort weer wat in de voorliggende casus –feitelijk en onbetwist- aan de orde is.
Jose K. (feit 1) leed aan baarmoederhalskanker. In september 1991 werd zij naar aanleiding van de uitslag van haar uitstrijkje door haar huisarts verwezen naar de gynaecoloog. Deze was van mening dat een diagnostische/therapeutische conisatie moest plaatsvinden. Zij wilde echter geen conisatie ondergaan en liet zich na de uitslag van 1991 pas weer in 1995 behandelen. Haar eerste consult bij verdachte was op 17 september 1991. Op 11 en 18 juni 1992 consulteerde zij opnieuw een gynaecoloog voor een second opinion. Ook hij adviseerde evenals de eerdere gynaecoloog, een conisatie en raadde macrobiotiek af. Op 18 juni 1992 had zij tevens een tweede consult bij verdachte.
In het voorjaar van 1994 belde K. met verdachte, omdat zij hevig bloedde. Verdachte schreef haar daarvoor een macrobiotisch condiment voor. In juli 1994 ging zij naar een cursus van verdachte op Drakenburgh te Baarn en vanuit daar naar het ziekenhuis waar een vergevorderd stadium van baarmoederhalskanker werd vastgesteld. Daarvoor is zij bestraald. Op 15 augustus 1998 is zij overleden.
Theda van der L. (feit 2) had borstkanker. In oktober 1992 werd bij Van der L. een mammatumor ter grootte van een knikker geconstateerd. Haar werd een borstsparende operatie met een 10-jarige overlevingskans tot 70% geadviseerd. Van der L. wilde echter geen reguliere behandeling volgen. Zij zag alleen wat in een alternatieve behandeling en wendde zich tot het Kushi-instituut. Zij had een gesprek met de oprichter Michio Kushi op 10 november 1992. Verdachte zat erbij als toehoorder. Kushi vertelde haar dat een operatie de simpelste en snelste oplossing was voor het probleem. Hij opperde als tweede mogelijkheid dat zij heel goed macrobiotisch moest eten en onder controle van een arts moest blijven. Als derde mogelijkheid gaf Kushi aan dat zij zich kon laten opereren en daarna goed macrobiotische eten. Van der L. koos voor een niet-reguliere behandeling, waarbij de slechte ervaring met de reguliere behandeling van het mammacarcinoom van haar een jaar eerder overleden zuster een grote rol speelde. Zij kwam aanvankelijk maandelijks en later ongeveer om de drie maanden bij verdachte voor een consult. Op 14 februari 1995 is zij overleden.
III. Strafrechtelijke formulering van het verwijt
Ik keer terug naar de kern van het verwijt aan verdachte: de fatale beïnvloeding van het zelfbeschikkingsrecht van K. en Van der L. met betrekking tot de behandeling van hun ziekte. De vraag is hoe een dergelijk verwijt strafrechtelijk moet worden vertaald.
Men is dan geneigd allereerst te denken aan wetgeving op het gebied van het gezondheidsrecht en komt dan uit bij de toen nog geldende Wet regelende de uitoefening der geneeskunst (afgekort WUG), op grond waarvan het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst strafbaar was. Deze wet biedt i.c. geen soelaas, nu niet kan worden gesproken van uitoefening van de geneeskunst in de strikte zin van die wet. Verdachte maakt er immers een punt van te stipuleren dat zijn advies geen medisch advies is (zie het door hem gehanteerde consultformulier). De opvolger van deze wet is de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (afgekort BIG). Deze wet is in werking getreden per 1 december 1997 en is derhalve uitsluitend toepasbaar voor het laatste gedeelte van de onder 1 telastegelegde periode. Echter alleen al omdat de feitelijke betrokkenheid van verdachte voor die datum lag, is deze wet i.c. niet bruikbaar. In ander verband kom ik nog terug op de wet BIG en op de betrekkelijkheid van het standpunt van verdachte dat hij geen medisch advies zou geven.
Bij gebreke van i.c. toepasbare bijzondere wetgeving, moest het OM wel terugvallen op de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in een telastelegging in diverse varianten van zware mishandeling via mishandeling, opzettelijke benadeling van de gezondheid, opzettelijk in hulpeloze toestand brengen of laten, tot dood c.q. letsel door schuld.
En in de verfeitelijking van al die strafrechtelijke varianten wordt verdachte verweten in strafrechtelijke zin verwijtbaar betrokken te zijn bij het overlijden van K. en Van der L. door:
niet en/of niet tijdig te verwijzen naar de reguliere gezondheidszorg;
niet aan te raden zich te laten behandelen door allopatische artsen;
niet aan te raden het stadium van haar ziekte nader te laten vaststellen door allopatische artsen;
niet aan te raden regelmatig onder controle te blijven van allopatische artsen;
een macrobiotische oplossing en/of behandeling aan te bieden en/of te verzorgen en/of te begeleiden.
waardoor de benodigde reguliere medische zorg is onthouden.
Zoals door mij al aangegeven ter zitting is voor een aantal varianten van de telastelegging de periode vóór 3 april 1994 verjaard. Dat geldt niet voor de opzetvarianten van de telastelegging met dood dan wel zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Nu mijn betoog zal strekken tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 telkens primair telastegelegde, dat wil zeggen zware mishandeling met de dood als gevolg, speelt de verjaring hierbij geen rol.
Ik acht bewezen dat verdachte aan beide vrouwen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, namelijk een verdere doorgroei en/of verdere uitzaai van een of meer kankergezwellen en een verergering van haar ziektebeeld, door de zojuist door mij genoemde feitelijkheden (niet verwijzen etc.) waardoor hen de nodige reguliere medische zorg is onthouden, mede ten gevolge waarvan zij zijn overleden.
Alvorens in te gaan op de diverse verklaringen waaruit naar mijn mening de fatale rol van verdachte blijkt, wil ik stilstaan bij de elementen toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, de daarop gerichte opzet en het overlijden als gevolg daarvan.
IV. Toebrengen van zwaar lichamelijk letsel
Ter vaststelling van de situatie, waarin K. en van der L. zich bevonden ten tijde van hun eerste consult bij verdachte, maak ik gebruik van het rapport van de in deze zaak benoemde deskundige Dr. J.H. S., als internist/oncoloog verbonden aan het Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, het Nederlands Kanker Instituut te Amsterdam.
K. had haar eerste consult bij verdachte in september 1991. Zij had toen baarmoederhalskanker in maximaal stadium I met een 5-jaars overlevingskans van 75 tot 98%.
Van der L. had haar eerste consult bij verdachte kort na haar consult bij Kushi in november 1992. Zij had toen borstkanker in stadium II, met een 10-jaars overlevingskans van 60 tot 70%.
Ten aanzien van beide vrouwen kan worden gesteld dat zij ten tijde van hun eerste consult leden aan een goed behandelbare vorm van kanker met goede vooruitzichten.
Vast staat dat elke vorm van kanker in welk stadium dan ook als een ernstige ziekte moet worden beschouwd. Discutabel is wanneer deze ziekte als zwaar lichamelijk letsel in de strafrechtelijke betekenis moet worden bestempeld.
Ik ben geneigd dat in de zojuist omschreven situatie te doen. Wat mij betreft hadden beide vrouwen al zwaar lichamelijk letsel, toen zij verdachte consulteerden.
Dat betekent natuurlijk niet dat verdachte hen dus geen zwaar lichamelijk letsel meer kon toebrengen. Om een simpel voorbeeld te geven: iemand die kanker heeft kun je een ernstige steekwond toebrengen. Mutatis mutandis kun je iemand die kanker heeft in een heel veel slechtere conditie brengen.
Hier past een verwijzing naar het arrest van de HR d.d. 1 maart 1983, NJ1983/497, waarin is bepaald dat onder lichamelijk letsel niet alleen moet worden begrepen een kwetsuur die ontstaan is door een buiten de persoon van gekwetste gelegen oorzaak, maar daaronder ook kan vallen schade aan de gezondheid, bijvoorbeeld een inwendige biochemische ontregeling, die haar oorsprong vindt in het achterwege laten van het gebruik van voor goede gezondheid onontbeerlijke geneesmiddelen.
En ook naar het arrest van de HR d.d. 16 mei 1995, nr. 98.804 (het zo genaamde iatrosofen-arrest), waarin onder meer het laten ontaarden van een oorontsteking en een longontsteking in een gehoorbeschadiging en longletsel wordt beschouwd als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Dat de conditie van K. en van der L. nadien heel veel slechter was staat vast. Ik verwijs wederom naar het rapport van deskundige S..
In 1994 was er bij K. sprake van een stadium III met een geschatte 5-jaars levensverwachting van 20 tot 25% en bij Van der L. van een stadium IV, waarin genezing niet meer mogelijk was.
Deze verergering van hun ziektebeeld in die relatief korte tijdspanne moet worden bestempeld als zwaar lichamelijk letsel en moet, gelet op de bevindingen van de deskundige, zijn veroorzaakt door het nalaten van noodzakelijke medische behandeling.
V. Opzet
Daartoe is allereerst vereist dat de bij K. en van der L. gestelde diagnose aan verdachte bekend was.
Op het eerste konsultformulier van K. d.d.17 september 1991 vermeldt zij: “waarschijnlijk baarmoederkanker” en op het herhalingskonsultformulier d.d. 18 juni 1992 “PAP 4/5”.
Verdachte weet wat die aanduiding betekent. Zelf zegt hij daarover bij de RC op 14 november 2000: “Dan gaat het alarm” en ook: “José vertelde dat de artsen haar wilden opereren”. En over het eerste consult zegt hij: “Op het consult was José erg verward en onsamenhangend. Op het konsultformulier had zij geschreven dat ze waarschijnlijk baarmoederkanker had. Misschien wist zij zelf het verschil tussen baarmoeder- en baarmoederhalskanker niet. Ik wel.”
Mij dunkt dat toen al het alarm had moeten gaan, nog helemaal afgezien van wat getuige van D. over dat eerste consult verklaart . Ik kom hierna daarop terug. Bij de vermelding “waarschijnlijk kanker” gaan bij ieder mens alle seinen op rood. K. kwam niet bij verdachte voor zweetvoeten.
Daarbij komt dat verdachte geacht mag worden enige medische kennis te hebben, gelet op zijn curriculum vitae en zijn eigen verklaring daarover (doctoraal in de klassieke Chinese geneeswijze).
De diagnose mag derhalve bij verdachte bekend worden verondersteld.
De diagnose borstkanker bij van der L. en het advies te zich te laten opereren is door haar vermeld in het bijzijn van getuige Salomons bij haar eerste consult bij Kushi, waarbij verdachte als schrijver aanwezig was. Daarna heeft zij verdachte, die dus bekend was met diagnose en advies, geregeld geconsulteerd.
Uitgaande van de bekendheid van verdachte in beide gevallen met de diagnose, heeft hij door zijn optreden in deze, waarop ik hierna uitvoerig zal ingaan, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de hierboven omschreven verergering van het ziektebeeld zou intreden, met uiteindelijk de dood als gevolg.
Nog daargelaten de bijzondere deskundigheid van verdachte, zal voor iedere leek duidelijk zijn dat bij dergelijke ziektebeelden uiterste voorzichtigheid is geboden en levensgrote risico’s dreigen bij inadequaat optreden.
Daarmee is het voorwaardelijk opzet van verdachte een gegeven.
VI. Overlijden als gevolg
Beide vrouwen zijn uiteindelijk wel nog in het ziekenhuis terechtgekomen, K. bloedend als een rund en Van der L. met een naar buiten tredende stinkende en lekkende tumor. Bij K. was operatie niet meer mogelijk; zij kreeg een bloedtransfusie en werd bestraald. Van der L. onderging een acute operatie.
In 1998 is K. overleden en in 1995 Van der L..
Wederom met verwijzing naar het rapport van deskundige S. moet worden geconstateerd, dat deze tijdstippen van overlijden rechtstreeks verband houden met het nalaten van een adequate medische behandeling op het daartoe aangewezen moment. Dat niet kan worden uitgesloten dat beide vrouwen, indien zij de medische adviezen wel hadden opgevolgd, desalniettemin vroegtijdig zouden zijn overleden, doet daaraan niet af.
VII. Toerekening aan verdachte
Waarom ik vind dat die ernstige verslechtering met fatale afloop aan verdachte valt toe te rekenen zal ik hierna uiteen zetten.
In de verdediging bespeur ik twee lijnen.
Enerzijds: Verdachte is zich ten volle bewust van de beperkte toepasbaarheid van macrobiotiek bij genezing van kanker en zal te allen tijde zijn cliënten adviseren het medische circuit op te zoeken.
Anderzijds: Verdachte is van mening dat macrobiotiek een goed alternatief kan zijn voor reguliere behandeling van kanker en uiteraard zal hij zijn cliënten daarop wijzen en daartoe adviseren.
Daarbij meen ik te constateren dat het accent in de loop van de procedure is gaan verschuiven naar de tweede variant.
Zou dat wellicht komen door de kracht van de getuigenissen, die verdachte neerzetten als een dwingende raadgever, die zijn leer à tort et à travers wil doorzetten tegen beter weten in?
Op die getuigenissen wil ik nu ingaan. Ik meen daarmee de eerste verdedigingslijn te kunnen ontkrachten.
Ik baseer mij daarbij primair op ter zitting van het hof afgelegde verklaringen en vul deze waar nodig aan met verklaringen, afgelegd bij de RC.
Vervolgens zal ik de tweede verdedigingslijn beschouwen als een beroep op een rechtvaardigingsgrond en uiteenzetten waarom dat mijns inziens moet worden verworpen.
(citaten uit getuigenverklaringen, hier ivm. de lengte weggelaten)
Wat verdachte wordt verweten is, dat hij heeft ingespeeld op de bestaande angst en afkeer, dat hij die angst en afkeer als het ware heeft gevoed, door bij herhaling te wijzen op de verwoestende effecten van reguliere behandelingen op lichaam en geest en vanuit zijn deskundigheid als macrobiotisch voedingsadviseur te suggereren, dat het door kanker verstoorde evenwicht ook zonder die behandelingen kan worden hersteld door een consequent doorgevoerde macrobiotische leefwijze.
In concreto kan op zijn minst bewezen worden dat verdachte de betrokken vrouwen niet actief heeft verwezen naar de reguliere gezondheidszorg en dat hij hen niet heeft aangeraden zich te laten behandelen door allopatische artsen.
Door aldus te handelen heeft verdachte zich mede verantwoordelijk gemaakt voor de ernstige verslechtering van hun gezondheidstoestand met fatale afloop. Die fatale afloop valt verdachte derhalve toe te rekenen.
X. Verwijtbaarheid
Dat zo zijnde moet men zich afvragen in hoeverre dit terecht aan verdachte wordt verweten.
Waarom lag het op de weg van verdachte deze vrouwen actief te verwijzen en aan te raden zich te laten behandelen door allopatische artsen?
Het staat immers eenieder vrij voor zijn mening uit te komen en evenzo staat het een ander vrij die mening al of niet te volgen.
Waarom ik van oordeel ben dat die vrijheid in situaties als de onderhavige aan beide kanten beperkt is en er in deze een bijzondere verantwoordelijkheid op verdachte rustte, zal ik trachten uiteen te zetten. Evenals de officier van justitie voer ik daartoe jurisprudentie aan welke betrekking heeft op alternatieve genezers.
Weliswaar heeft verdachte betoogd geen alternatieve genezer te zijn en zich ook niet als zodanig te afficheren. Dat neemt evenwel niet weg dat hij zich als macrobiotisch voedingsadviseur uitdrukkelijk begeeft op het terrein van de gezondheid. Zijn adviezen zijn gericht op het bevorderen van de gezondheid van lichaam en geest met een macrobiotische leef- en eetwijze. In dat opzicht is hij dan ook volstrekt vergelijkbaar met alternatieve genezers.
Allereerst wil ik wijzen op een arrest van de HR, NJ1993, 276, betreffende een natuurgeneeskundig adviseur. In de noot van ’t Hart onder dit arrest wordt gewezen op de bijzondere verantwoordelijkheid van de alternatieve genezer ten aanzien van patiënten die zich hebben afgewend van het reguliere circuit. Een beroep op het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt aldus ’t Hart, ontkent deze bijzondere verantwoordelijkheid en zet het zelfbeschikkingsrecht van de patiënt op zijn kop.
Een met de onderhavige zaak wel zeer vergelijkbare casus betreft het eerder door mij genoemde arrest van de HR d.d. 16 mei 1995, nr. 98.804 (iatrosofenarrest).
Volgens de conclusie van de AG deed de instemming van de patiënt met de behandeling niet af aan de strafbaarheid van de behandelaar, nu in dit geval de wil/wens van de patiënt in hoge mate door de behandelaar werd beïnvloed
Deze visie van de AG is door de HR overgenomen.
Nu terug naar de onderhavige casus.
Verdachte’s beroep is macrobiotisch voedingadviseur. Hij oefent dat beroep uit onder meer als directeur van het Kushi Instituut Nederland en als “educational director” van The Kushi Institute of Europe. Dat instituut biedt niet alleen consulten, maar ook cursussen, seminars, etc. op het terrein van de macrobiotische leef-en eetwijze.
Het beroep van verdachte houdt dus aanzienlijk meer in dan het geven van macrobiotische voedingsadviezen; hij adviseert namelijk ook over de macrobiotische leefwijze.
Een blik op de internationale website van The Kushi Institute is verhelderend. Men treft daar onder meer aan de “Health Recovery Pages” met een aankondiging van “The Kushi Institute’s Way to Health Program” en een reeks “Testimonials” van mensen, die dankzij de macrobiotische leef-en eetwijze van de meest gruwelijke kwalen zijn genezen. Maar liefst tien van die getuigenissen betreffen diverse vormen van kanker.
Ook treft men een beschrijving aan van de bij The Kushi Institute of Europe werkzame personen. Onder het hoofdstuk “Our Teachers”neemt verdachte een prominente plaats in. Men leest daarin onder meer het volgende:
Together with his wife Wieke he developed a macrobiotic study for women, including all aspects of women’s health, which they successfully teached under the name of “Women’s Health”in different countries in Europe and as a residential program at the Kushi Institute. Adelbert is well known for his sharp diagnosis and clear and practical macrobiotic advises.
In de aanhef van het door verdachte gehanteerde konsultformulier van het Kushi Instituut Nederland staat onder meer het volgende:
Ons doel is aanbevelingen te geven welke zijn gebaseerd op de Makrobiotische Leef-en Eetwijze. Het makrobiotisch dieet is een traditionele manier van eten die over de hele wereld eeuwenlang met succes is toegepast om vele klachten en kwalen te verhelpen. Door het dagelijks toepassen van de Makrobiotische leef-en eetwijze hebben vele mensen een betere gezondheid en een harmonieuzer persoonlijk familie-en sociaal leven gekregen.
Wij kunnen U niet garanderen dat uw problemen zullen verdwijnen maar, als U dat wenst, leren wij U hoe U het beste kunt profiteren van het Makrobiotisch advies dat U hier vandaag zult krijgen en zullen wij de grootst mogelijke moeite doen om U te helpen.
Mij valt op dat de makrobitiek telkens met een hoofdletter wordt vermeld, behalve waar het gaat over het dieet. Daarmee wordt mijns inziens onderstreept dat het in de makrobiotiek primair gaat om een soort filosofie, het ontwikkelen van een manier van leven, waarin lichaam en geest in harmonie zijn.
Het dieet is daarbij ondersteunend en moet leiden tot een gezond lichaam en daarmee vanzelf ook tot een gezonde geest.
Dat is ook –heel kort samengevat- waar de door verdachte steeds genoemde macrobiotische literatuur, waarvan wij hebben kunnen kennisnemen, op neer komt.
Daarin wordt kanker in grote lijnen beschreven als een poging van het lichaam om een natuurlijk evenwicht te scheppen.
Kanker is geen vijand, die moet worden verwijderd, zoals de reguliere geneeskunde doet vanuit een dualistische benadering.
De macrobiotiek zoekt naar de herkomst van de stoffen die de balans tussen yin en yang verstoren en herstelt vervolgens het natuurlijke evenwicht middels leef-en eetadviezen vanuit monistisch perspectief.
Verdachte doet zichzelf dus tekort wanneer hij zich macrobiotisch voedingsadviseur noemt!
Hij is veel meer dan dat. Hij is een gids naar een harmonieus leven via een gezond lichaam.
Het konsultformulier begint weliswaar met de mededeling dat “het advies dat U hier krijgt geen medisch advies is” en vermeldt verder “Mocht U medisch advies wensen, dan raden wij U aan de voor Uw problemen meest geeigende arts te consulteren”, maar imponeert vervolgens volstrekt als een medische anamnese. Daarmee worden de vooraf gedane mededelingen onmiddellijk gelogenstraft.
Verdachte verklaart ook zelf uitdrukkelijk dat hij diagnoses stelt, om op basis daarvan adviezen te geven (zie zijn verklaring op pagina 12 pv. ttz. rechtbank d.d. 10 en 11 december 2001).
Eerder heeft verdachte bij de RC al uiteengezet hoe hij die diagnoses stelt aan de hand van hetgeen hem wordt verteld in combinatie met Oosterse diagnostiek (zie zijn verklaring op pagina 2 bij de RC d.d. 14 november 2000).
Daarbij is ook een voorafgaande medische diagnose welkom, daar dit kan bijdragen aan zijn inzicht (zie zijn verklaring op pagina 4 en 5 bij de politie d.d. 25 november 1994).
In zoverre is geloofwaardig waar verdachte stelt de reguliere geneeskunde niet af te wijzen, echter slechts als praktisch hulpmiddel bij zijn diagnostiek en bij de beoordeling van de mate waarin zijn macrobiotische adviezen aansL.. Voor het overige ziet hij de reguliere geneeskunde puur als symptoombestrijding, waarbij de oorzaken van de ziekte blijven bestaan (zie zijn verklaring op pagina 14 bij de RC d.d. 31 oktober 2000).
Dat verdachte zich ook met genezing bezighoudt blijkt al uit brochures van het Kushi-Instituut, waarin als een van de vele activiteiten de cursus “Het voorkomen en genezen van borst-, eierstokken- en baarmoeder(hals)kanker” wordt vermeld.
Zowel in zijn schriftelijke samenvatting d.d. 4 juni 2000 (zie pagina 2 onderaan), als ter zitting van de rechtbank (zie pagina 8 en 12 pv.ttz. d.d. 10 en 11 december 2001) verklaart verdachte uitdrukkelijk dat het mogelijk is middels een macrobiotische lefwijze kanker te genezen. Ik citeer een passage uit voormelde verklaring:
Mijn visie is dat macrobiotiek in principe alles kan voorkomen en genezen. Maar dan wel onder ideale omstandigheden. Dat houdt in dat iemand moet leven in overeenstemming met alle wetten van de natuur. Als iemand dan uit balans zou raken, dan reageert het lichaam door middel van ziekte. Die disbalans van het lichaam kan worden hersteld door middel van de macrobiotiek. Macrobiotiek betekent “groot leven”. Het is meer dan alleen een dieet. Het is een heel subtiel spel. Aangezien de ideale omstandigheden bijna nooit aanwezig zijn, kan macrobiotiek alleen dus zelden ziektes voorkomen en genezen.
Deze visie is door verdachte ter zitting van het hof meerdere malen herhaald. Het is bijzonder moeilijk, maar het kan. En wel onder de bezielende leiding van verdachte aan de hand van diens adviezen.
Een medisch advies is een geneeskundig advies, derhalve een advies, betrekking hebbende op de geneeskunde. Geneeskunde is de wetenschap die zich ten doel stelt de kennis van de gesteldheid en de werking, en van de aard en de oorzaken van de ziekten en kwalen van het menselijk lichaam en van de middelen om die te genezen. (Zie van Dale).
Is dat nu niet precies wat verdachte doet? Ik hoef alleen maar te verwijzen naar het konsultformulier om die vraag bevestigend te beantwoorden.
En is het dan niet puur een kwestie van semantiek om te stellen dat hij geen medisch advies geeft?
Toch niet helemaal. De crux zit mijns inziens in het woord “wetenschap”. Geneeskunde is wetenschap en macrobiotiek is dat niet. In zoverre heeft verdachte gelijk als hij stelt dat hij geen medisch advies geeft. Maar dat is niet kenbaar voor de radeloze zieke, die angstig houvast zoekt.
Die zieke doet verslag van de fysieke conditie volstrekt conform een medische anamnese. Bepaalde lichaamsdelen worden bekeken en soms bevoeld. Er worden tekeningen van organen gemaakt om uit te leggen wat er mis is. Er volgt een advies over voeding, lichaamsbeweging, rust, etc. In niets te onderscheiden van een medisch advies, met dien verstande dat het nimmer zal inhouden dat operatie, bestraling of chemotherapie geïndiceerd is. En dat is nu precies wat de angstige zieke wil horen: Er is wel iets mis, maar dat kun je helemaal zelf oplossen. Als je je maar strikt houdt aan de macrobiotische leefregels, geconcretiseerd met name op het gebied van de voeding, kan het door de ziekte verstoorde evenwicht zich weer herstellen. Het enige dat je buiten je eigen discipline nodig hebt is steun van je direkte omgeving bij het volgen van die strikte leefwijze. Die leefwijze vergt namelijk wel een en ander, met name op voedingsgebied. De basisprodukten zijn alleen verkrijgbaar in speciale natuurvoedingswinkels, onder meer in het Kushi instituut, en zijn vrij kostbaar. De bereidingswijze is bijzonder arbeidsintensief en vereist de nodige opleiding, overigens te volgen in het Kushi instituut en eveneens nogal begrotelijk. Voor de nodige verdieping is het volgen van meerdaagse cursussen en seminars, verzorgd door het Kushi instituut, zeer aan te raden. Ook dat is niet goedkoop en vereist de nodige tijd en inspanning. Dat dit nauwelijks vol te houden is als de omgeving niet meewerkt lijkt wel duidelijk.
Dat het moeilijk is en de nodige inspanning vergt is overigens voor de zieke juist goed. Die moet echt aan het werk en heeft daarmee zijn lot in eigen handen. Dat is toch heel wat aantrekkelijker dan zich machteloos te onderwerpen aan angstaanjagende en onbegrijpelijke verwoestende behandelingen in vijandige ziekenhuizen.
Dat deze visie tevens met zich mee brengt dat de mens het ontstaan van dat verstoorde evenwicht aan zichzelf te wijten heeft is natuurlijk onaangenaam, maar eventuele frustratie daarover wordt gecompenseerd door de opgetogen gedachte aan de maakbaarheid van de eigen gezondheid.
Dat K. en van der L. moeiteloos zijn gevallen voor die benadering van hun probleem door verdachte is duidelijk. Hij bood immers precies wat zij wilden en omgaf zich daarbij ook nog eens met het aura van een geneesheer. Vanuit de bij hen reeds bestaande affiniteit met de macrobiotiek, waanden zij zich bij verdachte in goede handen. Doodsbang door de dreiging van angstaanjagende behandelingen was hun blik vergaand vernauwd tot diens in hun wensbeeld passende heilsleer, waaraan zij zich als het ware vastklampten. Dat kan verdachte niet zijn ontgaan.
Daarbij gevoegd het algemeen bekende fenomeen dat letterlijk doodsbange mensen selectief luisteren en niet willen horen wat hen nog angstiger maakt, zou het verdachte niet eens disculperen wanneer hij zo nu en dan zou hebben opgemerkt, quod non, dat deze voor eenieder kenbaar doodzieke vrouwen naar de dokter moesten. Hij had zich er dan van moeten vergewissen dat die boodschap was overgekomen en een en ander schriftelijk moeten vastleggen. Maar niets van dat alles heeft verdachte gedaan. Integendeel, hij heeft deze vrouwen in hun valse hoop bevestigd door er bij herhaling op te wijzen dat ze zijn adviezen niet voldoende consequent opvolgden, dat zij “wishy washy” bezig waren, waarna zij opgelucht konden concluderen dat er nog hoop was, als ze maar beter hun best gingen doen.
Aldus heeft verdachte de bijzondere zorgplicht, die hij op zich had geladen door zich te profileren als adviseur inzake gezondheid, ernstig verzaakt.
Los van de keuze van degenen die hem raadpleegden, rustte op hem als zorgverlener een eigenstandige verantwoordelijkheid, namelijk het leveren van adequate zorg, daaronder begrepen de herkenning en erkenning van de grenzen van de eigen mogelijkheden.
Dat naast verdachte ook anderen werden geconsulteerd, zoals Rick Vermuyten, Marc Cauwenberghe, Jomanda, de school voor filosofie e.d., doet niet af aan de bepalende invloed van verdachte. Enerzijds omdat hun adviezen blijkens de getuigenverklaringen veel minder pertinent waren en anderzijds omdat deze veelal te combineren waren (drinken van ingestraald water, fluit spelen, bezinning e.d.) met de strikte leefregels van verdachte. En voor zover dat niet zo was werden hun adviezen genegeerd, zoals het advies zich tot de reguliere geneeskunde te wenden van Marc Couwenbeghe.
Dat laatste betekent allerminst dat deze vrouwen dus niet te beïnvloeden waren. Zo iemand dat wel had gekund was het verdachte. Juist omdat hij degene was die zij zagen als hun redder, omdat hij meeging in hun ideeen over de reguliere geneeskunde, had hij bij uitstek op enig moment, voordat het echt te laat was, duidelijk moeten maken dat zijn deskundigheid niet toereikend was voor hun problemen.
Daarbij komt dat de strikte regels van de macrobiotiek en de eisen die daarmee ook aan de omgeving van betrokkenen worden gesteld, een zeker isolement veroorzaken en betrokkenen min of meer veroordelen tot een compromisloos commitment aan degene die die regels stelt, i.c. verdachte.
Hij creëert als het ware een persoonsgebonden commitment.
Dat brengt mij op de rol van Kushi in deze. Natuurlijk is Kushi, de naamgever van het instituut, de grootheid- men spreekt ook wel van godheid of van paus- op de achtergrond.
Af en toe is hij even in Nederland en bij zo’n gelegenheid heeft van der L. hem geconsulteerd. Verdachte was daarbij als schrijver en heeft uitdrukkelijk de verdere uitvoering op zich genomen.
K. heeft Kushi nimmer geconsulteerd. Wel is Kushi degene geweest die op klemmend verzoek van van D. heeft bewerkstelligd dat zij uiteindelijk naar het ziekenhuis werd gebracht.
Gedurende de hele periode van consultering is voorts uitsluitend verdachte het aanspreekpunt in het Kushi instituut geweest. Hij was degene aan wie beide vrouwen zich met huid en haar overleverden.
Verdachte moet zich bewust zijn geweest van de zojuist weergegeven werking van zijn optreden op K. en van der L. in het bijzonder en op ernstig zieke mensen in het algemeen.
Ten aanzien van K. blijkt dat overduidelijk uit de vele verklaringen, om te beginnen die van verdachte zelf, waarin hij K. en haar vriendin S. een soort groupies noemt. Uit wat verdachte over K. zegt krijg ik het gevoel, dat hij haar zag als iemand die zich nogal hinderlijk aan hem vastklampte. Dat kan denk ik ook wel kloppen. Mij bekruipt de gedachte dat K. misschien wel een beetje verliefd op verdachte was. Voor die gedachte vind ik onder meer aanknopingspunten in de verklaring van haar ex-partner J., die denkt dat zij verdachte aardiger vond dan ze eigenlijk zelf wilde en wijst op het feit dat zij hun zoon Gideon noemde, wellicht naar de zoon van verdachte.
Ook het door haar man van D. verwoorde gevoel dat zij verdachte zag als een soort goeroe kan ik heel goed plaatsen en moet voor verdachte kenbaar zijn geweest.
Maar ook zonder dat aan verliefdheid grenzende gevoel, dat hij mijns inziens ontmoette bij K., kan de heftige impact van zijn advies op hen, die hem radeloos consulteerden, verdachte niet zijn ontgaan. Daarbij heeft zeker ook zijn nogal overdonderende en dwingende manier van optreden, die wij allen gedurende lange zittingsdagen hebben mogen waarnemen en ervaren, een rol gespeeld. Van die karaktereigenschap is verdachte zich zeer wel bewust, zoals bij herhaling ter zitting is gebleken, waar hij verwijst naar zijn Latijnse origine.
En reeds bij de RC verklaart hij in de door getuigen afgelegde verklaringen karakteristieken van zichzelf te herkennen (zie pagina 16 bij de RC d.d. 31 oktober 2000). Hij zegt daar onder meer:
Ik heb inderdaad een fel temperament. Ik kan heel scherp zijn. Maar mijn karakter staat niet terecht.
Dat klopt, maar zijn karakter speelt wel een rol bij de vraag in hoeverre hij de keuzevrijheid van zijn clientele heeft bïinvloed.
Hij moet zich bewust zijn geweest van de bijzondere verantwoordelijkheid die op hem rustte voor zijn kwetsbare clientele. Scrupuleus had hij de grenzen van zijn macrobiotische mogelijkheden in het oog moeten houden en met name ook kenbaar moeten maken.
Dat hij dat niet heeft gedaan valt hem zeer te verwijten.
Of betrokkenen, als hij dat wel had gedaan, daaraan consequenties zouden hebben verbonden, is daarbij niet eens relevant.
Verdachte heeft de pretentie van autoriteit op het gebied van gezondheid. Hij afficheert zich als deskundige op dat terrein en daaruit vloeit een zorgplicht voort jegens degenen die hem raadplegen.
Radeloze zieken raken in zijn ban en willen hem maar al te graag geloven. Daarvan maakt hij misbruik door hen grovelijk te misleiden omtrent de mogelijkheden van de macrobiotiek. Hij handelt daarbij grovelijk in strijd met de op hem als adviseur rustende zorgplicht.
XI. Rechtvaardigingsgrond
Eerder heb ik gewezen op de naar mijn idee tweede lijn in de verdediging, waar verdachte suggereert dat de macrobiotiek terecht als volwaardig alternatief kan gelden voor de reguliere behandeling van kanker en hij derhalve terecht zijn clienten daarop wijst en daartoe adviseert.
Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de verdediging macrobiotische literatuur overgelegd, waaronder een artikel in de herfst/winter 2002 editie van het Kushi Institute over een onderzoek van de heer G. Yu te Washington. In mijn schriftelijke afwijzing van het verzoek van de verdediging om de heer Yu als getuige/deskundige op te roepen heb ik beargumenteerd waarom ik het niet relevant vond hem in deze zaak te horen. Ik heb daarin uiteengezet waarom aan zijn onderzoek niet meer dan een suggestie kan worden ontleend, dat een macrobiotische leefwijze bij een aantal patienten tot verbetering heeft geleid. Onderzoeken die meer bieden dan een dergelijke suggestie zijn er tot op heden niet geweest.
Dat neemt niet weg dat aan bepaalde voeding volgens diverse publicaties een heilzame werking kan worden toegekend, maar dat is iets anders dan een de reguliere therapie vervangende oplossing voor kanker. Dat naar het effect van voeding verder onderzoek wordt gedaan is alleen maar toe te juichen en dat de macrobiotische leefwijze in bepaalde situaties wellicht bevorderlijk kan zijn wordt niet betwist. Ik herhaal nog maar eens de stelling aan het begin van mijn betoog: Deze procedure gaat niet over macrobiotiek. Ik onthoud mij dan ook uitdrukkelijk van een oordeel over de macrobiotiek als levensfilosofie.
Ik moge verwijzen naar het eerder genoemde rapport van deskundige S., die verklaart dat tot op heden nooit in een goed gerandomiseerd onderzoek is aangetoond, dat met behulp van enig dieet een bepaald soort kanker kan worden voorkomen, dan wel een bestaande soort kanker kan worden genezen. Ter zitting van het hof d.d. 28 oktober 2003 heeft de deskundige een en ander nader toegelicht.
En dat brengt mij op wat ik hiervoor zei over geneeskunde versus macrobiotiek: geneeskunde is wetenschap, dat wil zeggen men stelt iets vast op grond van goed gecontroleerde, prospectief gerandomiseerde onderzoeken. Macrobiotiek is dat niet.
Dat brengt met zich mee dat grote voorzichtigheid is geboden bij de toepassing van de macrobiotiek voor een bepaald doel. Zodra die toepassing risico’s dreigt op te leveren past reserve en op zijn minst een krachtige waarschuwing, zeker als het om levensgevaarlijke risico’s gaat, zoals in de voorliggende casus.
Juist zijn professionaliteit had verdachte ertoe moeten leiden die risico’s te herkennen en erkennen en daarmee gepast om te gaan.
Dat heeft hij op geen enkele manier gedaan, integendeel. Steeds weer heeft hij benadrukt dat bij strikte naleving van de macrobiotische principes succes verzekerd zou zijn en dat uitsluitend door eigen schuld van betrokkenen –in de woorden van verdachte door hun “wishy washy” bezig zijn met die principes- het beoogde resultaat niet werd bereikt.
Hij heeft daarmee de op hem als consulent rustende zorgplicht ernstig verzaakt.
Deze verdedigingslijn kan dan ook niet slagen.
XII. Conclusie
Ik herhaal waarmee ik begon.
Deze procedure gaat niet over macrobiotiek, maar over de vraag in hoeverre beïnvloeding van het zelfbeschikkingsrecht van de mens strafrechtelijk verwijtbaar kan zijn.
Verdachte heeft willens en wetens zijn autoriteit op het gebied van de macrobiotische leefwijze misbruikt door een fatale invloed uit te oefenen middels beroepshalve gegeven adviezen aan mensen, die hem in verband met een dodelijke ziekte consulteerden.
Hij heeft zich als behandelaar opgeworpen en daarmee verantwoordelijkheid op zich genomen. Bij die verantwoordelijkheid hoort de verplichting scherp in de gaten te houden wanneer de grenzen van zijn mogelijkheden waren bereikt. Dat die grenzen ruimschoots waren bereikt, zo niet van meet af aan reeds overschreden, was in de onderhavige casus overduidelijk aan de hand van niet mis te verstane signalen: niet te stelpen bloedingen en etterende gezwellen. Hij had alles op alles moeten zetten deze vrouwen alsnog te bewegen het reguliere circuit op te zoeken. Dat heeft hij niet gedaan, integendeel, hij is doorgegaan met het verwijzen naar de eigen verantwoordelijkheid van deze overduidelijk doodzieke vrouwen voor de niet consequente navolging van zijn macrobiotische adviezen en dientengevolge ook voor hun deplorabele toestand. Daarmee heeft hij hun illusie gevoed dat zij hun lot in eigen hand hadden. Daarmee heeft hij tevens bewust de niet te verwaarlozen kans aanvaard dat zij nog zieker zouden worden en zouden overlijden.
Hij heeft die mensen door zo te handelen strafrechtelijk verwijtbaar beïnvloed.
Verdachte heeft zich aldus ten aanzien van K. en van der L. schuldig gemaakt aan zware mishandeling met de dood als gevolg.
Die feiten zijn strafbaar en verdachte is strafbaar.
XIII. De straf
Rest de vraag welke strafrechtelijke reactie passend is.
Bij de uitvoerige discussies die zijn gewijd aan de eerder door mij genoemde vervanging van de Wet regelende de uitoefening der geneeskunst door de Wet BIG, is de problematiek rond de alternatieve genezers bij herhaling de revue gepasseerd.
Uiteindelijk is ervoor gekozen om, anders dan voorheen, binnen de door de wet gestelde grenzen alternatieve behandelwijzen, ook indien toegepast door een niet wettelijk erkende beroepsbeoefenaar, op legale manier mogelijk te maken.
Daarbij heeft het besef voorop gestaan dat er kennelijk in onze samenleving behoefte bestaat aan een grotere diversiteit aan behandelwijzen dan de reguliere geneeskunde kan bieden.
Tevens is daarmee erkend dat alternatieve behandelwijzen in die behoefte kunnen voorzien.
Ik moge verwijzen naar het Handboek Gezondheidsrecht Deel II, Gezondheidszorg en Recht, derde druk, van prof.dr. H.J.J. Leenen. Ik citeer uit het hoofdstuk Alternatieve behandelwijzen op pagina 95 e.v. de volgende passages.
In het kader van alternatieve behandelwijzen is de “Kurierfreiheit”aan de orde, de vrije keuze voor een behandelwijze. In brede kring is aanvaard dat de patiënt primair verantwoordelijk is voor zijn eigen gezondheid. Hij kan een andere dan de reguliere behandelwijze kiezen. Vaak gebeurt dat omdat de reguliere geneeskunde geen soelaas biedt. Een probleem echter vormen de deskundigheid van de behandelaar en de risico’s van alternatieve behandelwijzen. In dit opzicht behoeft de burger, evenals bij de reguliere geneeskunde, bescherming. Dit temeer omdat alternatieve behandelwijzen geen wetenschappelijke basis hebben.
Een ander punt is de gelijke behandeling van reguliere geneeskunde en alternatieve behandelwijzen. Nu aan de reguliere geneeskunde in toenemende mate wetenschappelijke en kwaliteitseisen worden gesteld en controlemechanismen ter bewaking van de kwaliteit in het leven worden geroepen, moet datzelfde voor alternatieve behandelwijzen gelden. Het zou een merkwaardig beleid zijn om reguliere vormen van geneeskunde onder controle te stellen en alternatieve behandelwijzen ongecontroleerd op mensen te laten toepassen. Is het nemen van kwaliteitsbevorderende maatregelen ten aanzien van alternatieve behandelwijzen in eerste instantie een zaak van de betrokken organisaties, dat neemt niet weg dat, als dergelijke maatregelen uitblijven, de overheid zal moeten optreden.
Terecht is erop gewezen dat alternatieve behandelwijzen niet van risico’s zijn ontbloot, met name omdat een wetenschappelijke basis ontbreekt. Als veel voorkomende fout is daarbij genoemd het niet of niet tijdig doorverwijzen naar een reguliere behandelaar!!
Dit aspect is bij herhaling reden voor tuchtrechtelijke veroordeling geweest van alternatief handelende artsen. Hoewel het i.c. niet om een arts gaat breng ik toch graag de in de betreffende jurisprudentie ontwikkelde regels aangaande de informatieverstrekking aan de patiënt onder de aandacht, voor zover relevant in deze zaak.
De meest belangrijke is wel dat de arts zonodig zal moeten proberen de patiënt te overtuigen van de noodzaak zich regulier te laten behandelen. Op een arts die een patiënt alternatief behandelt terwijl een reguliere behandeling voorhanden is, rust de plicht om zich in te spannen de patiënt tot andere gedachten te brengen. Voor die situaties waarbij patiënten zelf afwijzend staan tegenover de reguliere wetenschap geldt, dat het argument dat de patiënt zelf kiest voor een alternatieve behandeling bij de tuchtrechter nauwelijks gehoor vindt! In dergelijke gevallen wordt van de arts verwacht dat hij van verdere behandeling van de betrokken patiënt afziet.
Van de arts wordt ook geëist dat hij in situaties, waarin hij zelf overtuigd is van de werkzaamheid van de alternatieve behandeling, zijn eigen overtuiging kan relativeren.
De toepassing van een alternatieve methode met terzijdestelling van een voorhanden zijnde adequate reguliere methode is tuchtrechtelijk verwijtbaar wanneer dit leidt tot levensbedreigende situaties en kan dat onder bepaalde omstandigheden ook zijn zonder levensgevaar.
Voor een uitvoerige uiteenzetting over dit onderwerp met vermelding van vindplaatsen in de jurisprudentie moge ik verwijzen naar het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht nr. 6 uit 1996 (“Reguliere ruimte voor alternatieve artsen. De alternatief handelende arts in het tuchtrecht.”).
Zoals blijkt uit het voorgaande worden in de jurisprudentie strenge regels gehanteerd bij de beoordeling van alternatief handelende artsen. Ik zie geen enkele reden om minder streng te zijn als het gaat om alternatieve genezers, die niet arts zijn. Integendeel! Hen past juist veel grotere voorzichtigheid en terughoudendheid, nu hun deskundigheid zich doorgaans niet uitstrekt tot de reguliere geneeskunde en de consequenties van hun alternatieve behandelingen daarmee voor hen moeilijker te overzien zijn.
Het kan toch niet zo zijn dat misleidende en schadelijke adviezen binnen een beroepsgroep hardhandig worden afgestraft, terwijl diezelfde adviezen met een even zware portée voor de patiënt door iemand buiten die beroepsgroep volledig ongestraft kunnen worden afgegeven.
Uiteindelijk heeft de overheid voor de kwaliteitsverbetering en de betere voorlichting door alternatieve behandelaars aan het publiek vooral gekozen voor zelfregulering. De overheid biedt daarbij wel ondersteuning middels door VWS gesubsidieerde kwaliteitsbevorderende projecten van het CBO (het kwaliteitsinstituut gezondheidszorg) voor het alternatieve zorgveld. Het Kushi instituut valt daarbuiten, omdat het niet wordt beschouwd als een vereniging of beroepsorganisatie van alternatieve macrobiotische zorgverleners. Om die reden is het ook niet opgenomen in het onderzoek van de Consumentenbond naar de kwaliteitsborging van alternatieve gezondheidszorg.
Dat brengt mij weer bij het hiervoor weergegeven citaat van Leenen, waarin hij stelt dat bij het uitblijven van kwaliteitsbevorderende maatregelen, de overheid zal moeten optreden.
Dat optreden door de overheid zal veelal pas achteraf kunnen plaatsvinden, nu doorgaans pas wanneer er iets fout gaat aan het licht komt wat zich zoal afspeelt in het alternatieve circuit.
De Wet BIG kent daartoe een strafbepaling, die de buiten de grenzen van zijn deskundigheid tredende wettelijk erkende beroepsbeoefenaar en de alternatieve behandelaar gelijkelijk treft.
Diegenen worden in artikel 96 Wet BIG met straf bedreigd indien zij, bij het verrichten van handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg, buiten noodzaak schade of een aanmerkelijke kans op schade aan de gezondheid van een ander veroorzaken.
Zoals ik eerder al aangaf is deze strafbepaling i.c. niet toepasbaar in verband met het tijdstip van inwerkingtreding. Maar ook afgezien daarvan meen ik dat met name de primair telastegelegde strafbepaling (zware mishandeling met de dood als gevolg) meer recht doet aan wat deze verdachte wordt verweten. Met name het daarin besloten element opzet acht ik in deze relevant , met daaraan gekoppeld uiteraard een aanzienlijk zwaardere strafmaat (maximaal tien jaar gevangenisstraf versus maximaal zes maanden hechtenis).
Dat hierbij, anders dan bij artikel 96 Wet BIG, geen ontzetting van het recht het betrokken beroep uit te oefenen mogelijk is, vind ik wel een gemis. Ik ben namelijk van oordeel dat verdachte juist in zijn professionaliteit ernstig is tekort geschoten door voor hem duidelijk kenbare risico’s volledig te veronachtzamen. Hij heeft daarmee met name de op hem als beroepsbeoefenaar rustende zorgplicht geheel verzaakt en zich daarmee in mijn ogen gediskwalificeerd.
Nu heb ik begrepen dat zijn praktijk als gevolg van deze strafzaak aanzienlijk is teruggelopen. Daarmee is het effect van een ontzetting in feite al voor een deel gerealiseerd. Uiteraard realiseer ik mij dat verdachte zich daardoor al zwaar gestraft voelt. Ik zal daarmee dan ook rekening houden bij mijn eis.
Dat de langdurige strafprocedure verdachte zeer heeft belast lijkt duidelijk.
Wat het tijdsverloop betreft wil ik overigens het volgende opmerken.
Zoals de officier van justitie heeft uiteengezet in haar requisitoir is er vanaf de aangifte van van D. eind 1998 tot het vonnis van de rechtbank eind 2001 geen enkele periode van inactiviteit van het openbaar ministerie geweest.
De eerste zitting van het hof heeft vervolgens binnen tien maanden plaatsgevonden, namelijk op 17 september 2002. Gelet op de vele uitvoerige verhoren bij de RC van relevante getuigen gedurende het voorbereidende onderzoek, heb ik mij tot het uiterste beperkt in mijn wens getuigen ter zitting van het hof te doen horen in een streven deze voor alle betrokkenen zeer belastende zaak niet nog veel langer te laten duren. Die beperking heeft de verdediging zichzelf niet opgelegd. Dat heeft ertoe geleid dat na de regiezitting van 17 september 2002 nog maar liefst zeven zittingen hebben plaatsgevonden waarop getuigen zijn gehoord, te weten op 11 februari 2003, 6 maart 2003, 13 maart 3003, 20 mei 3003, 28 oktober 3003 en 4 november 2003, waarna dan eindelijk vandaag, 26 november 2003, kan worden afgerond. Daarmee heeft de verdediging er als het ware voor gekozen de procedure lang te laten duren.
Desalniettemin wil ik met die lange belastende periode rekening houden ten gunste van verdachte.
Ook houd ik rekening met het feit dat van verdachte geen in deze relevante eerdere veroordelingen bekend zijn.
Er is echter ook een belangrijke verzwarende factor bij de afweging van een passende straf. Dat is het volstrekte gebrek aan inzicht bij verdachte in het verwerpelijke van zijn manier van handelen.
Niet alleen toont hij geen enkel besef van zijn eigen falen, hij imponeert integendeel als de miskende heilsprofeet, die zijn discipelen als gevolg van deze strafvervolging noodgedwongen aan hun lot moet overlaten. Dit in schril contrast tot de indruk die ik ontleen aan vele getuigenverklaringen. Daaruit rijst het beeld op van een man, die hulpzoekenden op zeer dwingende wijze zijn visie voorhoudt of beter zijn heilsleer predikt, die welhaast sektarisch volstrekt commitment van hen eist, die hen in een isolement drijft ten opzichte van hun met die visie minder vertrouwde omgeving, die hen daardoor steeds sterker en exclusiever aan zich bindt om hen vervolgens als een baksteen te laten vallen als zijn heilsleer niet blijkt te werken.
Dat een veroordeling op zich deze verdachte al zwaar zal treffen realiseer ik mij. Desalniettemin kan ik niet volstaan met het eisen van een min of meer symbolische straf voor een verdachte, die ik verwijt ertoe te hebben bijgedragen dat twee vrouwen in de bloei van hun leven vroegtijdig zijn overleden.
Van de te eisen straf zal ook een preventieve werking moeten uitgaan.
Allereerst naar verdachte, die nog steeds meent dat hij juist heeft gehandeld en bij wie gevreesd moet worden dat hij opnieuw zo zal handelen.
Maar ook naar anderen, die zich op niet wetenschappelijk verantwoorde wijze bezig houden met zieke mensen.
Alles afwegende acht ik een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf de enige juiste strafrechtelijke reactie.
Mijn requisitoir strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en tot veroordeling van verdachte terzake van het onder 1 en 2 telkens primair telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
|