|
3. Juridisch
Wet Cliëntenrechten Zorg (WCZ)
De regering wil een aantal wettelijke regelingen, waaronder de WGBO, de Wet klachtrecht en de Kwaliteitswet zorginstellingen, vervangen door een nieuwe Wet Cliëntenrechten Zorg (WCZ). De WCZ is voor zowel patiënten als artsen van groot belang. De KNMG staat kritisch tegenover het wetsvoorstel. Bij het beoordelen van het wetsvoorstel hanteert de KNMG onder meer de volgende uitgangspunten:
 zoveel mogelijk aansluiten bij bestaande wettelijke regelingen en activiteiten;
 kiezen voor de aanpak met de grootste kans op succes: niet alle kaarten op wetgeving zetten, onderscheiden tussen afdwingbare rechten voor patiënten en (beroeps)plichten van zorgverleners;
 niet alleen aandacht voor patiëntenrechten vanuit een optiek van marktwerking (recht op keuze-informatie e.d.) maar juist ook voor de rechtspositie van patiënten in kwetsbare omstandigheden;
 aandacht voor de verantwoordelijkheden van de zorgverzekeraars;
 een goede balans tussen individuele genoegdoening voor patiënten enerzijds en het bevorderen van de kwaliteit van zorg anderzijds (in het bijzonder waar het gaat om de vormgeving van de regeling voor het afhandelen van klachten en geschillen);
 een reële oplossing voor het grote probleem van de ondercompensatie van schade die patiënten lijden ten gevolge van vermijdbaar en verwijtbaar handelen.
Actueel
De ministerraad heeft in juli 2009 ingestemd met het wetsvoorstel cliëntenrechten zorg (WCZ). Naar verwachting buigt de Tweede Kamer zich eind 2009 over het wetsvoorstel.
31 januari 2008
Bron:KNMG
Brede discussie over mogelijkheden verbetering rechtspositie patiënten
Verbetering en verduidelijking van de rechtspositie van cliënten en patiënten in de zorg is nodig. Daarover zijn alle partijen het eens. De oplossing zoals VWS die onlangs voorstelde, het vervangen van bestaande wetgeving door een integrale ‘Wet cliënt en kwaliteit van zorg’, stuit echter op bezwaren.
In de gezondheidszorg hebben zich ontwikkelingen voorgedaan die aanleiding geven opnieuw na te denken over de rechtspositie van cliënten/patiënten. Door de stelselwijziging is de positie van de zorgverzekeraar geaccentueerd, zonder dat voldoende duidelijk is hoe een cliënt in verhouding tot zorgaanbieder en zorgverzekeraar zijn rechten kan realiseren. Ook de toenemende ketenzorg roept vragen op over de rechten van patiënten: niet altijd is helder welke zorgaanbieder in de keten waarvoor verantwoordelijk is. Specifieke aandacht is nodig voor patiëntenrechten in de care-sector. Wetgeving uit de jaren negentig (Wgbo, Wet klachtrecht e.d.) en de ervaringen daarmee laten zien, dat deze op onderdelen kan worden verbeterd en nader kan worden uitgewerkt. In rapporten van de Inspectie (Staat van de Gezondheidszorg, 2006) en de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (De patiënt beter aan zet…, 2006) zijn tal van suggesties voor verbetering van de rechtspositie opgenomen. Enkele jaren geleden stelde de NPCF voor de bestaande wetgeving aan te vullen met een zogenaamde Zorgconsumentenwet, waarmee lacunes in de rechtspositie van cliënten zouden kunnen worden gedicht, met name in de driehoeksverhouding client-zorgaanbieder-zorgverzekeraar.
Sinds augustus 2007 heeft de minister van VWS de Tweede Kamer enkele malen laten weten een ‘Wet cliënt en kwaliteit van zorg’ (WCKZ) voor te bereiden, in plaats van zes bestaande wettelijke regelingen: de Wgbo, de Wet klachtrecht, de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen, de Kwaliteitswet zorginstellingen, de Wet bijzondere medische verrichtingen en de Wet toelating zorginstellingen. Kort voor kerst 2007 ontvingen alle koepel- en brancheorganisaties in de zorg een brief met uitvoeriger informatie over het voorgenomen beleid van VWS. Daarin geeft de minister een overzicht van zeven patiëntenrechten die naar zijn mening verbetering behoeven en doet hij tal van nuttige suggesties en aanbevelingen. In de tweede plaats geeft de minister aan hoe hij de rechtspositie van cliënten/patiënten beter zou willen regelen. Daarbij gaat het onder meer om de vervanging van bestaande wetten door de genoemde WCKZ.
Verkeerde oplossing voor reëel probleem
VWS en de koepels van patiënten/consumenten, zorginstellingen, beroepsbeoefenaren en zorgverzekeraars hebben onlangs over die brief overlegd. De veldpartijen onderschrijven de noodzaak van een verbetering van de rechtspositie van patiënten en willen daar samen met de overheid aan werken. Wel moet er oog zijn voor het belang van de huidige wetgeving en voor de activiteiten die het veld de afgelopen jaren ter ondersteuning daarvan heeft ondernomen. De koepels van patiënten/consumenten, zorginstellingen en beroepsbeoefenaren plaatsten tal van vraagtekens bij het voorstel om een aantal bestaande wetten te vervangen door een nieuwe Wet cliënt en kwaliteit van zorg. De KNMG noemde de WCKZ “de verkeerde oplossing voor een reëel probleem”. Het accent moet op de inhoud liggen. Eérst moeten de problemen met de rechtspositie goed geanalyseerd worden, alvorens te besluiten welke oplossingen effectief en mogelijk zijn. Daarbij zal het gaan om een scala van activiteiten en oplossingen, waarvan (het aanpassen van) wetgeving maar een onderdeel is. De KNMG vindt dat lang niet alle problemen die rond de rechtspositie van cliënten/patiënten aan de orde zijn met wetgeving te maken hebben.
VWS en de veldpartijen hebben afgesproken dat een vervolgdiscussie plaatsvindt over de inhoud van wenselijke en noodzakelijke aanpassingen van de rechtspositie van patiënten/cliënten.
Alle betrokken organisaties geven op korte termijn een eerste schriftelijke visie op de inhoud van de rechtspositie: welke verbeteringen zijn nodig en hoe kunnen we ze het beste realiseren? De zeven patiëntenrechten vormen het kader, door het ministerie reeds als knelpunt benoemd. Maar denkbaar is dat uit het overleg ook nog andere knelpunten rond patiëntenrechten en kwaliteit van zorg naar voren komen. Zodra alle reacties binnen zijn volgt overleg over de aanpak van de rechtspositie.
Omdat de KNMG de bevordering van de kwaliteit van de volksgezondheid hoog in het vaandel heeft staan, hecht de KNMG van oudsher veel waarde aan een goede regeling van de rechten van de patiënt. Al dan niet in samenwerking met patiëntenorganisaties en andere betrokkenen heeft de KNMG op dat gebied de afgelopen jaren veel activiteiten ontwikkeld. Ook heeft de KNMG bijgedragen aan de totstandkoming van de bestaande wetgeving. In het verlengde daarvan neemt de KNMG graag deel aan het overleg dat de komende tijd tussen overheid en veldpartijen over de verbetering van de rechtspositie zal worden gevoerd. Uitgangspunt daarbij is dat er, zoals ook de huidige Wgbo dat omschrijft, een balans blijft bestaan tussen een goede rechtspositie enerzijds en de eigen verantwoordelijkheid van zorginstellingen en beroepsbeoefenaren anderzijds. Het voorstel om te komen tot een Wet cliënt en kwaliteit van zorg is in de visie van de KNMG geen optie.
Nadere informatie: prof. mr J. Legemaate, tel. 030 2823765 of j.legemaate@fed.knmg.nl
Zeven patiëntenrechten
Het recht op beschikbare en bereikbare zorg;
Het recht op keuze en het recht op keuze-informatie;
Het recht op kwaliteit en veiligheid;
Het recht op informatie, toestemming, dossiervorming en privacy;
Het recht op afstemming tussen zorgverleners;
Het recht op een effectieve en laagdrempelige klacht- en geschillenbeslechting;
Het recht op medezeggenschap en goed bestuur.
De Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of (Wet BIG) uit december 1993 is een van de Nederlandse wetten waarmee het patiëntenrecht is vastgelegd.
Alleen wie aan de wettelijke opleidingseisen heeft voldaan, kan zich laten inschrijven in het register. Alleen wie in het register is ingeschreven, mag de door de wet beschermde titel voeren.
Het BIG-register registreert apothekers, artsen, fysiotherapeuten, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, tandartsen, verloskundigen en verpleegkundigen in de bijbehorende registers.
U kunt bij het BIG-register informeren of er voor uw (voormalige hulpverlener) een tuchtrechtelijke maatregel geldt. In het verleden opgelegde maatregelen tegen uw hulpverlener worden niet doorgegeven.
|
Big-register
Het BIG-register biedt de mogelijkheden om na te gaan of een arts een maatregel van het tuchtcollege is opgelegd. Het BIG-register mag patiënten alleen informatie geven over beperkingen in de beroepsuitoefening die gelden op het moment dat het register wordt geraadpleegd.
"Het BIG-register moet ook informatie over veroordelingen van de tuchtrechter uit het verleden aan patiënten doorgeven. Ook moet er meer informatie beschikbaar komen over buitenlandse artsen".
Dit schrijft wetgevingsjurist Marieke Pronk van het ministerie van VWS op persoonlijke titel in het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht. Het BIG-register mag patiënten alleen informatie geven over beperkingen in de beroepsuitoefening die gelden op het moment dat het register wordt geraadpleegd. Patiënten komen dus niets te weten over maatregelen van tuchtcolleges uit het verleden. Bovendien staan waarschuwingen, berispingen en boetes helemaal niet in het BIG-register. De juriste vindt dat het voor patiënten van belang is om te weten of een beroepsbeoefenaar in het verleden een beperking is opgelegd, zeker als dit meerdere keren is gebeurd. De juriste stelt voor om veroordelingen van de (tucht)rechter voor een periode van tien jaar in het register op te nemen.
 In de wet zijn allerlei rechten van patienten vastgelegd, maar in de praktijk blijkt vaak dat zorgverleners niet op de hoogte zijn van deze rechten of de patientenrechten gewoon negeren.
Van hulpverleners mag natuurlijk niet worden verwacht dat zij meewerken aan hun eigen veroordeling.
De zorgverlener moet u goed informeren over uw gezondheidstoestand, over de mogelijkheden van behandeling en over de belangrijkste risico’s van de behandeling.
De zorgverlener moet rekening houden met uw vermogen om informatie te begrijpen of te verstaan. Pas als u goed geïnformeerd bent, kunt u ook weloverwogen beslissen of u toestemming voor een behandeling geeft. Dit wordt ‘informed-consent’ genoemd. Als u bijvoorbeeld niet weet dat u bij het rechtzetten van uw neus het risico loopt nooit meer te kunnen ruiken, kunt u niet goed afwegen of u deze operatie wilt.
De Consumentenbond deed een onderzoek onder zorgconsumenten.
In de Consumentengids/Gezondgids van juni 2007 werd aandacht besteed aan uw rechten bij de behandeling. Artsen mogen bijvoorbeeld niet zonder uw toestemming vrijuit over u praten met andere artsen of verpleegsters. Alleen zorgverleners die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling hebben recht op inzage in de gegevens en dan alleen in die onderdelen die relevant zijn voor de behandeling.
Mail uw slechte ervaringen gerust naar gezondgids@consumentenbond.nl
Bij welke instantie moet u zijn met uw klacht?
Om te bepalen bij welke instantie u moet zijn is het belangrijk om vast te stellen waar het conflict over gaat.
 Een medische fout?
 De manier waarop de hulpverlener met u omgaat?
 Een organisatorische fout?
 Uw rechten als patiënt?
 Een rekening die volgens u niet klopt?
Daarbij kunnen verschillende instanties betrokken zijn. De belangrijkste zijn:
 de klachtencommissie van de instelling waar de hulpverlener werkt (of van zijn beroepsvereniging);
 de kantonrechter, voor schadeclaims, zoals smartengeld door een medische fout. Deze schadeclaims of andere geldvorderingen mogen niet hoger zijn dan € 5.000,-.
Voor hogere claims moet u naar de sector civiel van de rechtbank. Bij de kantonrechter kunt u zelf uw woord
doen en hoeft u geen advocaat in te schakelen. Bij de sector civiel van de rechtbank bent u verplicht u bij te
laten staan door een advocaat.
 de Geschillencommissie Ziekenhuizen
In het geval u niet tevreden bent over de hulpverlener kunt u dit ook melden bij uw zorgverzekeraar, want die betaalt immers uw hulpverlener voor zijn diensten. De verzekeraar heeft nadeel van medische fouten, want de medische kosten door de gevolgschade lopen daarbij op en bovendien kunnen psychische klachten ontstaan, welke ook weer behandeld moeten worden.
|
"Gerechtigkeit als nackte Frau mit Schwert und Waage" van Lucas Cranach de Oude rond 1537
|
Het Medisch Dossier
Wilt u uw medisch dossier meenemen? Dat kan. Daar heeft u wettelijk recht op!
bron:www.wgbo.nl
Uw medisch dossier onthult altijd of u wordt behandeld door een goede of een slechte arts. Het enige wat u hoeft te doen is uw arts vragen om een kopie van het dossier. Zo kunt u op de eerste plaats nog eens rustig doorlezen wat de dokter over u heeft genoteerd. U zult verbaasd zijn wat er allemaal genoteerd staat waarvan de arts geen tijd heeft om het u te vertellen. Het geeft dus een belangrijk stuk extra zekerheid als u kunt beschikken over uw eigen dossier. Nu heeft u het meest complete overzicht over uw aandoeningen, medicijnen en behandelingen en kunt u, zoals de WGBO het omschrijft, samen met uw familie 'een weloverwogen beslissing nemen' waar en door wie u behandeld wilt worden. U heeft namelijk het recht op vrije artsenkeuze en dat is het recht van elke burger in Nederland.
Maar als u in de dokterskamer zit, ontstaat vaak een probleem als u om uw medisch dossier vraagt. U krijgt het namelijk niet altijd zomaar mee! Soms stelt de arts u een wedervraag: Waaróm wilt u het dossier meenemen? Dat doet hij omdat hij niet gewend is om medische controle te krijgen. Als hij het medisch dossier namelijk uit handen geeft, liggen alle artsenbeslissingen boven op tafel en wordt kritiek op hem een reële optie. De top-professionals zullen u altijd graag laten meekijken in het dossier, maar het zijn juist die artsen met aanzienlijk minder talent en gevoel voor de geneeskunst die u mogelijk de toegang tot het dossier zullen weigeren. De arts heeft geen keus, hij moet u kopieën verschaffen! Elk woord, elke beslissing en elke behandeling moet hij tegenover u kunnen verantwoorden. En als het goed is staat dus alles netjes in het dossier genoteerd. Is dat niet het geval dan is dit een belangrijk signaal dat u mogelijk met een onkundige arts te maken heeft
NPCF
Het NPCF (Nederlandse Patienten en Consumenten Federatie) is een overkoepelende organisatie voor zorgconsumenten. Het NPCF werkt nauw samen met de KNMG (de artsenberoepsvereniging).
Het NPCF heeft een Meldpunt Consument en Zorg. E-mail: npcf@npcf.nl
Problemen met vergoedingen door zorgverzekeraars en wachttijden bij behandelingen kunt u het beste voorleggen aan het NPCF. Het NPCF is niet het juiste punt voor het melden van medische fouten indien u schadevergoeding wenst, maar is wel geschikt voor het melden van onwenselijk gedrag van artsen, zoals sexuele intimidatie, etc.
Ondersteuning en informatie aan patienten wordt geboden door het IKG (Zorgbelang Nederland) op regionaal niveau. Het IKG maakt deel uit van het NPCF en stelt dat zij een onafhankelijke positie heeft, maar werkt wel nauw samen met de artsenberoepsvereniging KNMG. Samen met het KNMG geeft de NPCF bijvoorbeeld persberichten uit. De onafhankelijkheid kan dus worden betwist.
Telefoonnummer IKG: 0900-2437070 (0,10 eurocent per minuut)
Second opinion
Wat is een second opinion?
Een second opinion (tweede mening) houdt in dat een andere deskundige dan uw eigen hulpverlener uw ziekte of probleem onderzoekt en er een uitspraak over doet. U hebt geen toestemming nodig van uw eigen hulpverlener om een second opinion te vragen, maar het is wel verstandig om er met hem of haar over te praten.
Het lijkt misschien wat vreemd om bij uw eigen arts over een second opinion te beginnen, maar hulpverleners weten dat u recht hebt op een tweede mening en dat veel mensen het prettig vinden om meer zekerheid te hebben voor ze beslissen over een behandeling.
U mag op ieder moment een second opinion vragen, dus ook als de behandeling al is begonnen.
Hoe beslist u bij welke hulpverlener u een second opinion vraagt? U kunt hiervoor advies vragen aan de hulpverlener die u behandelt, aan uw huisarts, aan de patiëntenvereniging of aan uw zorgverzekeraar.
Hebt u geen aanvullende verzekering, dan worden de kosten van een second opinion alleen vergoed als u een verwijzing hebt. In de aanvullende verzekering zijn de mogelijkheden voor een second opinion soms ruimer.
Bewijs-check: Wat u zelf moet doen
U kunt wel vinden dat u schade hebt opgelopen door toedoen van de arts, maar dat zult u moeten bewijzen. Wie eist, bewijst is nog steeds de regel. U zult de verzekeraar of de rechter moeten overtuigen door middel van bewijsstukken. Daar kunt u niet vroeg genoeg mee beginnen, zelfs wanneer er nog niets is gebeurd! Er zijn namelijk verzekeraars die van u verlangen dat u alles bewijst, ook al ligt de schade nog zo voor de hand.
Hebt u hiervoor nou persé een advocaat nodig?
Nee hoor, een advocaat is opgeleid om een zaak voor de rechter te brengen, maar ongeveer 95% van de letselschadedossiers eindigen zonder tussenkomst van een rechter. Hoe beter u uw claim dus onderbouwt met bewijs, des te groter is de kans dat u zonder rechterlijke tussenkomst een goed resultaat behaalt. Mocht het onverhoopt toch niet lukken tot een akkoord te komen, dan zult u de weg naar de rechter moeten bewandelen om zo alsnog voor uw recht te strijden!
Letselschade lijdt u vanaf het moment de medische fout. Soms duurt het heel lang voor uw schade wordt berekend. De schade wordt dan dus berekend over het verleden. U kunt uw schadeposten dan bewijzen met facturen, bonnetjes, etc. Vaak moet ook toekomstschade worden berekend en dat kan problemen opleveren. Want, hoe bewijs je de toekomst? Uw schade is dan immers het verschil tussen wat u zou hebben verdiend en aan kosten zou hebben gemaakt zonder ongeval en wat u na het ongeval zult gaan verdienen en moet gaan betalen. Beide situaties zijn onbekend en moeten daarom worden geschat.
 U moet zowel bewijzen dat er iemand aansprakelijk is voor uw schade, als de schade die u zegt te hebben. Aangezien het hier om letselschade gaat, moet u ook kunnen bewijzen welke schade er aan uw lichaam of geest is ontstaan en wat daarvan het gevolg is voor uw leven. Hieronder vindt u in detail een opsomming waar u met een bewijs-check allemaal aan moet denken.
A. Medische causaliteit
U moet bewijzen dat een klacht of beperking is veroorzaakt door de fout of ziekte. Dat wordt causaal verband genoemd. U moet daarom allereerst direct na een ongeval naar uw huisarts of een andere arts gaan. Hoe bewijst u medische klachten? Precies! Door uw klachten bij de huisarts te laten noteren. U kunt bewijzen dat u onder
behandeling of controle van uw huisarts staat voor de betreffende klachten, door daadwerkelijk naar uw huisarts of een andere arts te gaan! U moet kunnen aantonen dat u serieuze letselschade hebt opgelopen en dus moet dit genoteerd worden door artsen in uw dossier.
Laat dus al uw klachten noteren, hoe gering ook! U weet namelijk niet welke klachten uiteindelijk overblijven. Stel, u hebt een beetje last van tintelende armen, maar heel veel last van de operatiewond. U noemt de tintelingen niet want die vallen immers wel mee. Na een jaar blijkt dat een zenuw bekneld is. Dan is het heel lastig om te bewijzen dat u die klachten door de operatie hebt gekregen, want die worden niet in de rapporten van het ziekenhuis of huisarts aangetroffen!
B. Juridische causaliteit
Discussies over de causaliteit behoren tot de lastigste discussies en die geven aanleiding tot veel gerechtelijke procedures. De rechter zegt echter ook, dat de schuldige een slachtoffer maar moet nemen zoals hij is. Een voorbeeld kan verhelderend zijn.
Stel, u hebt jaren last van uw nek, bijvoorbeeld door stress of overbelasting bij het sporten. U bent sinds een jaar klachtenvrij. Nu wordt u opgesloten in een isoleercel van het ziekenhuis op verdenking van een psychische ziekte door de psychiater (18.000 mensen worden per jaar opgesloten, dus u loopt die kans) en u hebt weer, maar nu nog heviger, last van uw nek. De aansprakelijke partij zal zeggen dat u ook zonder de opsluiting in de isoleercel wel weer last van uw nek zou hebben gekregen. Moet u bewijzen dat dat niet zo is en zo ja, hoe doet u dat?
Ten eerste moet volgens de rechter ruim worden toegerekend bij het overtreden van een veiligheidsnorm. Iets kan medisch misschien niet worden bewezen, het kan juridisch soms wel worden toegerekend. Dat heeft dan de juridische causaliteit.
Ten tweede kan de bewijslast worden omgedraaid. De rechter kan u in bepaalde gevallen ontlasten van uw bewijsplicht. De verzekeraar moet dan bewijzen dat u ook zonder ongeval de klachten zou hebben gehad. Een gang naar de rechter kan zo voorkomen worden.
Soms kunnen in de medische voorgeschiedenis soortgelijke klachten voorkomen als de klachten die u tengevolge van de medische fout hebt opgelopen. De verzekeraar kan dan stellen dat het causaal verband is verbroken door zogenaamde pre-existente klachten. Of dat zo is, kan blijken uit bestudering van de patiëntenkaart. Die zal in veel gevallen moeten worden overgelegd, maar lang niet altijd. De verzekeraar zal zeggen dat men onvoldoende is geïnformeerd en dat is in strijd met een belangrijk beginsel binnen het recht, het zogenaamde gelijkheidsbeginsel. U hebt immers meer informatie dan de tegenpartij. Maar, u hebt op uw beurt weer recht op bescherming van uw privacy. Welk beginsel zwaarder moet wegen, is elke keer weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In ieder geval moet de verzekeraar precies aangeven waarom hij van mening is dat de patiëntenkaart moet worden overgelegd
Wet Openbaarheid Bestuur
Op basis van deWet openbaarheid van bestuur (Wob) kan iedereen bij een bestuursorgaan (ministerie van VWS, de IGZ, het College voor Zorgverzekeringen, de Nederlandse Zorgautoriteit en universitaire medische centra) informatie opvragen die is neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid. De media maken van die mogelijkheid gebruik.
Via de Wob kan ook een ontevreden patiënt (of nabestaande) informatie opvragen over bijvoorbeeld de frequentie waarmee een arts te maken heeft gehad met een bepaalde complicatie. Wat een arts als een complicatie beschouwt, zou een ontevreden patiënt als verwijtbare fout kunnen zien en dan is het uiteindelijk vaak aan de rechter om te bepalen hoe het handelen (of nalaten ervan) moet worden gekwalificeerd.
In een procedure kan die informatie worden gebruikt als argument dat de arts, gezien het aantal complicaties, wel onzorgvuldig zal hebben gehandeld, want aangetoond moet worden dat de arts verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld.
Nu kent de Wob wel uitzonderingsmogelijkheden, maar de rechter legt de toepasselijkheid daarvan beperkt uit: openbaarheid is het uitgangspunt. Daarbij komt dat maar moet worden afgewacht of het bestuursorgaan een verzoek tot openbaarmaking afwijst. De zorginstelling (en de individuele hulpverlener) moet dan maar hopen dat het bestuursorgaan hem tijdig informeert, zodat hij een verbod tot afgifte van de informatie via de rechter kan afdwingen.
Versterking van Marktpositie van Patienten
De muis gaat brullen
Publicatie: Nr. 14 - 6 april 2007
Auteur: R. Crommentuyn
Pagina: 606-608
Project brengt patiënt aan de onderhandelingstafel
Onder de nieuwe Zorgverzekeringswet worden zorgaanbieders afgerekend op de kwaliteit van hun werk, kopen zorgverzekeraars zo scherp mogelijk in en stemmen patiënten met hun voeten. Maar die voeten staan nog in de kinderschoenen.
Sinds de invoering van de nieuwe Zorgverzekeringswet wordt er nogal wat gevraagd van de patiënt. Als calculerende consument wordt hij geacht verantwoorde keuzen te maken. Op basis van vergelijkbare informatie moet hij kiezen voor de juiste verzekeraar en de juiste behandelaar. Door altijd te kiezen voor de beste zorg tegen de laagste prijs, zet hij zorgaanbieders en -verzekeraars aan tot permanente kwaliteitsverbetering.
In theorie klinkt dat goed, maar in de praktijk loopt het nog niet zo’n vaart met de sturende invloed van de patiënt. Sterker nog, patiënten hebben weinig tot niets in de melk te brokkelen. Volgens de bedenkers van de Zorgverzekeringswet moet dat anders. Vandaar dat er tal van projecten zijn die tot doel hebben de positie van de patiënt te versterken. Veel van die projecten zijn verenigd in het project ‘Zekere zorg’ van Stichting Fonds Patiënten-, Gehandicapten- en Ouderenorganisaties (PGO) en de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) (zie kader 1).
1. Zekere zorg
Het programma ‘Zekere zorg’ van Stichting Fonds Patiënten, Gehandicapten en Ouderenbonden (PGO) en de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) is bedoeld om de marktpositie van de patiënten te versterken. Sinds 2006 verwezenlijken een aantal patiëntenorganisaties dit doel in een aantal projecten. Een kleine greep:
- De Samenwerkende Astma Verenigingen (SAV) ontwikkelt in samenwerking met de Universiteit van Twente en de Universiteit Maastricht kwaliteitscriteria vanuit het patiëntenperspectief. Naar verwachting zullen de kwaliteitscriteria van patiënten niet sterk verschillen van die van zorgverleners, maar zullen de prioriteiten wel anders liggen.
- De Stichting Hoofd Hart Vaten (SHHV) stelt kwaliteitscriteria op voor hartfalen en voor perifeer vaatlijden. De SHHV sluit aan bij de kwaliteitseisen die de beroepsverenigingen zelf al hebben opgesteld, bijvoorbeeld over het aantal gecertificeerde vaatchirurgen en interventieradiologen, de multidisciplinaire samenwerking en de herkenbaarheid van het ziekenhuis. Het project moet resulteren in een keurmerk voor ziekenhuizen die zorg leveren volgens de kwaliteitscriteria van de SHHV. Ook moeten zorgverzekeraars de criteria gebruiken bij hun inkoopbeleid.
- De Reumapatiëntenbond wil het patiëntenperspectief integreren in de visitatie van reumatologen. Er zal een enquête onder patiënten worden gehouden die inzicht moet geven in de knel- en aandachtspunten bij de zorg aan reumapatiënten. Die punten worden vervolgens besproken tijdens een visitatie. Dit jaar zal er een proef bij twee reumatologenmaatschappen plaatsvinden.
2. Patiëntenperspectief volgens Agis
Zorgverzekeraar Agis probeert al enige jaren om het patiëntenperspectief op kwaliteit te integreren in de zorginkoop. Samen met onderzoeksbureau Nivel stond Agis aan de basis van de CQ-index. Hiermee worden klantervaringen in de zorg weergegeven. Dat gebeurt door patiënten te ondervragen op zes aspecten van zorg: ontvangst bij opname of polikliniek, bejegening en verzorging door verpleegkundigen of polikliniekmedewerkers, bejegening en behandeling door artsen, informatie, zelfstandigheid en respect en het vertrek en de nazorg. Zorgverzekeraars kunnen de wetenschappelijk gevalideerde uitkomsten gebruiken bij de inkoop van zorg en consumenten kunnen op basis van die informatie de juiste zorgaanbieder kiezen. De methodiek van de CQ-index is sinds kort ondergebracht bij het Centrum Klantervaringen Zorg (MC 13/2007: 557).
Mantelzorgers
Zorgt u voor uw chronisch zieke man of vrouw? Voor een gehandicapt kind? Of voor uw hulpbehoevende moeder of vader? Dat is mantelzorg. Mensen die onbetaald en langdurig voor een ander zorgen worden mantelzorger genoemd.
Alles wat u moet weten over mantelzorg vindt u op www.mezzo.nl de landelijke vereniging voor mantelzorg en vrijwilligerszorg.
1 op de 8 werknemers is mantelzorger. 1 op de 8 werknemers combineert dagelijks werk met zorg voor een chronisch zieke partner, een gehandicapt kind of een hulpbehoevende ouder. Ze zijn werkende mantelzorgers: baanbrekers.
Op werkende mantelzorgers mogen we trots zijn. De samenleving kan niet zonder.
In de toekomst zullen er meer werkende mantelzorgers komen. Want werknemers werken meer en langer door om de vergrijzing op te vangen; in de toekomst wordt de zorg door minder mensen geleverd en (oudere) mensen blijven langer thuiswonen. Lees verder op:
Patientenbonden
Vele patientenbelangenverenigingen hebben nauwe banden met de farmaceutische industrie. Dit is begrijpelijk omdat sponsors nodig zijn. De gelden uit de farmaceutische industrie zijn bedoeld om de patienten medicatie te laten slikken van bepaalde merken, want dat is het marketingmechanisme van sponsoring. Onlangs werd bekendgemaakt dat de directeuren van de Osteoporose Stichting de binnengehaalde sponsorgelden van de farmaceutische industrie op hun priverekening lieten bijschrijven, waardoor er aangifte is gedaan tegen hen.
Nu is het natuurlijk niet zo dat alle directeuren van belangenverenigingen schaamteloos geld binnenharken over de rug van de patienten. Toch is alertheid op zijn plaats. De vraag dient door de patientenleden te worden gesteld waar de gelden vandaan komen en hoe deze ten goede komen aan de patienten. Wat hebben de patienten aan de patientenvereniging? Is het bestuur samengesteld uit direct betrokkenen?
Een andere opmerkelijke ontwikkeling is dat de patientenvereniging van psychiatrische patienten Ypsilon een lobby voert voor dwangbehandeling. Het kenmerk van een dwangbehandeling is nu juist dat de patient deze behandeling niet wil ondergaan. Dus de vraag rijst dan hoe een patientenvereniging nu een lobby kan voeren voor een behandeling, welke de patienten zelf niet willen ondergaan. Het ligt meer in de lijn der verwachting dat de farmaceutische industrie een lobby voert voor dwangbehandelingen dan de patientenvereniging. De vereniging voor psychiatrische patienten Ypsylon wordt gesponsord door de farmaceutische industrie en doet daardoor mee aan de lobby van de farmaceutische industrie om de patienten te injecteren met dwangmedicatie. De patienten, welke lid zijn van deze vereniging zijn, lopen dus het risico dat zij straks allemaal een injectie krijgen met de middelen van hun sponsor (op kosten van de belastingbetalers). Steeds rijst de vraag welke belangen er spelen en hoe de geldstromen lopen.
Voor sponsoring door de farmaceutische industrie zijn gedragsregels opgesteld door de Stichting CGR (Stichting Code Geneesmiddelen Reclame. www.cgr.nl
Persbericht door Ypsilon: Trouw-publicatie over sponsoring geen reden voor actie
Ypsilon staat volgens dagblad Trouw op plaats 9 van patienten- en consumentenorganisaties die het meest worden gesponsord door de farmaceutische industrie. So what, reageert directeur Bert Stavenuiter die ook in het artikel geciteerd wordt laconiek. Voor mij zit daar geen reden voor ophef. Het geld dat in totaal in de patienten/consumentenbeweging omgaat is een schijntje van wat bijvoorbeeld zorgverzekeraars of zorginstellingen krijgen. Wie het prima vindt dat de overheid patienten- en consumentenorganisaties afscheept met een fooi, maar er tegelijk schande van spreekt als ze vervolgens geld aannemen van de industrie, huilt wat mij betreft krokodillentranen.
Een beetje ziekenhuisdirecteur verdient in zijn eentje meer dan de complete jaaromzet van Ypsilon, gaat de Ypsilondirecteur verder. Nu al is het beschikbare budget volgens Stavenuiter volstrekt onvoldoende om alle taken uit te kunnen voeren die nodig zijn. Nodig in de ogen van de achterban en ook nodig in de ogen van de overheid. Zonder de bijdrage van de industrie zouden we nog verder aan slagkracht inboeten, dus ik ben blij dat zij bereid zijn om ons op onze voorwaarden te steunen. En wie vindt dat we het anders moeten doen, daag ik uit om met alternatieve inkomstenbronnen te komen.
Sommige organisaties zeggen dat ze liever geen geld zouden aannemen van de industrie. „Als de overheid ons wil financieren, prima. Dan is mijn keuze snel gemaakt”, zegt B. Stavenuyter, directeur van Ypsilon, dat vorig jaar 95.000 euro van farmaceutische fabrikanten kreeg (Bron Trouw 24.10.07)
Meldpunt Medische Fout is van mening dat de salarissen van directeuren van patientenorganisaties openbaar moeten worden gemaakt aan de leden.
Patiënt gebaat bij onafhankelijke voorlichting en behandeling
Overzicht: publicaties marketingstrategieën farmaceutische industrie
Bron: Pandorasite 19 oktober 2007, door Froukje Bos, beleidsmedewerker
Recente artikelen in het dagblad Trouw zijn voor Stichting Pandora aanleiding om een overzicht te maken van publicaties over marketingstrategieën van de farmaceutische industrie en de mogelijke impact hiervan op patiënten. Wij hopen hiermee een bijdrage te leveren aan de maatschappelijke discussie.
1. Publicaties Dagblad Trouw: aanleiding tot bezinning
Het Dagblad Trouw heeft onderzoek gedaan naar de relatie tussen patiënten- en familieorganisaties met de farmaceutische industrie. De journalist Joop Bouma schreef hierover een aantal artikelen (oktober 2007), waarvan wij hieronder een overzicht geven, aangevuld met de column van Annelies Huygen. Afgelopen voorjaar heeft Trouw aan de 44 leden van Nefarma, de vereniging van innovatieve farmaceutische bedrijven, kopieën gevraagd van de sponsorcontracten met patiëntenorganisaties. De artikelen behandelen uitkomsten van dit onderzoek.
De zorg om de relatie tussen patiënten- en familieorganisaties met de farmaceutische industrie speelt al langer. In mei 2005 werd het rapport ‘Sponsoring van patiëntenorganisaties door de farmaceutische industrie’ gepubliceerd door het DGV, Nederlands Instituut voor Verantwoord medicijngebruik. Dit onderzoek werd uitgevoerd op initiatief van Stichting Fonds PGO, dat in opdracht van het Ministerie van VWS subsidies verstrekt aan patiëntenorganisaties. Stichting Pandora onderstreept het belang van dit soort onderzoeken en publicaties, die erop gericht zijn mogelijke voor de patiënt negatieve consequenties van belangenverstrengeling en marketingstrategieën in de gezondheidszorg in kaart te brengen. Patiënten zijn gebaat bij onafhankelijke voorlichting en behandeling. Op de Pandorasite kunt u onze eigen publicaties over dit onderwerp lezen, en berichten uit de pers, onderzoek en rapporten.
Bouma is als auteur onder meer bekend van het in maart 2006 verschenen boek ‘ Slikken, hoe ziek is de farmaceutische industrie? ’ Naar aanleiding van dit boek zijn kamervragen gesteld. Vervolgens heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport (VWS) onderzoek gedaan naar de feitelijke en formele totstandkoming van medische behandelrichtlijnen en welke invloed de farmaceutische industrie hierop heeft.
De aanpak en resultaten van het door de IGZ uitgevoerde vooronderzoek vindt u terug in het ‘Kortschrift van de farmaceutische industrie op de behandelrichtlijnen’(mei 2007).
2. Lijst relevante artikelen:
Overzicht artikelen Trouw over sponsoring patiënten- en familieorganisaties
Industrie sponsort winstgevende ziekten, 13-10- 2007
De machtige lobby van de patiënt, 13-10-2007
Sponsorcontract: ‘bedrijfsgeheim’, 13-10-2007
Geld farmaceuten moet in een fonds, 15-10-2007
Patiënt is er niet voor de marketing, 15-10-2007
Geld pillenmakers wekt schijn van partijdigheid, 16-10-2007
Industrie-of patiëntenlobby?, 18-10-2007
Trouw-publicatie over sponsoring geen reden voor actie, Ypsilon, 13 oktober 2007
Sponsoring van patiëntenorganisaties door de farmaceutische industrie, onderzoek DGV in opdracht van Fonds PGO, mei 2005
Slikken, hoe ziek is de farmaceutische industrie?, door Joop Bouma, maart 2006
Kortschrift van de farmaceutische industrie op de behandelrichtlijnen, door IGZ, mei 2007
Marketingstrategieën farmaceutische industrie: mogelijke consequenties voor individuele patiënt
Literatuurlijst samengesteld door consumentenactivist Frank van Meerendonk
3. Archief: Pandora standpunten en artikelen
Pandora artikelen en standpunten
Literatuurlijst Psychofarmaca, samengesteld door Stichting Pandora
4. Pandora visie
Het patiënten perspectief bij het gebruik van psychofarmaca is een speerpunt van onze organisatie. Stichting Pandora bepleit gepast gebruik van medicijnen. Zorgvuldige voorlichting, overleg en begeleiding zijn daarbij cruciaal, evenals bewaking van medicijnveiligheid. In dit verband is Stichting Pandora zeer beducht dat de noodzakelijke zorg (care) in toenemende mate onder druk komt te staan ten gunste van medicijngebruik. De wetenschappelijke en klinische kennis van farmacotherapie en psychiatrie is echter nog beperkt. Verschillen in werking en bijwerkingen bij de brede diversiteit van patiënten is nog onderbelicht. De organisatie van medicijnveiligheid is niet altijd adequaat.
Stichting Pandora ontvangt geen subsidie of sponsorgelden van de farmaceutische industrie
De Volkskrant meldt: In talloze besturen goed doel leden met strafblad
Van verslaggever Xander van Uffelen
29 augustus 2007
Amsterdam - Bij goede doelen heeft 5 procent van de bestuurders een strafblad. Zij zijn in het verleden vervolgd voor drugs- en gewelddelicten, fraude, diefstal of oplichting. Van bestuurders met een islamitische achtergrond heeft 9 procent een strafblad.
Dit blijkt uit een onderzoek van Bureau Intraval in opdracht van het ministerie van Justitie. De criminele bestuurders zijn vooral in dienst bij goede doelen in de welzijnssector. Aangezien Nederland naar schatting 50.000 filantropische bestuurders telt, hebben omgerekend zo’n 2.500 bestuurders een strafblad.
Het onderzoek onder 2.400 bestuurders is geanonimiseerd, zodat onbekend is welke bestuurders een crimineel verleden hebben. Alleen ernstige delicten zijn meegeteld; verkeersovertredingen bleven buiten beschouwing.
Het ministerie van Justitie kan niet aangeven of het criminele verleden van bestuurders bij goede doelen afwijkt van het landelijke gemiddelde. Desondanks schrijft minister Hirsch Ballin van Justitie aan de Tweede Kamer dat het aantal bestuurders met criminele antecedenten ‘gering is’.
Geheimhouding van medische gegevens
Bron: College Bescherming Persoonsgegevens, Informatieblad nummer 33A, juni 2005
Deze informatie is bestemd voor de verantwoordelijke, dat is degene die voor eigen doeleinden persoons- gegevens van anderen gebruikt. Dit informatieblad gaat in op de volgende vragen:
Wellicht heeft u een patiënt die naar een andere hulpverlener overgaat en wilt u weten of u het originele dossier aan de nieuwe hulpverlener moet overdragen. Of misschien wilt u weten wie van uw collega’s toegang hebben tot het medisch dossier van uw patiënt. Of wellicht is uw patiënt overleden en wilt u weten of uw medisch beroepsgeheim ook na diens overlijden in stand blijft.
De relatie tussen u en uw patiënt is wettelijk geregeld. In onder meer de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn de rechten en plichten van hulpverleners en patiënten vastgelegd.
Beroepsgeheim en geheimhoudingsplicht
De geheimhoudingsplicht is de plicht tot geheimhouding van in vertrouwen verstrekte gegevens. Sommigen hebben een geheimhoudingsplicht op grond van hun beroep, anderen op grond van een ambt dat zij bekleden, of vanwege een wettelijk voorschrift dat de geheimhouding regelt. Geheimhouding kan ook afgesproken worden in een overeenkomst.
Op grond van artikel 88 Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg hebben artsen, tandartsen, apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, verloskundigen en verpleegkundigen een medisch beroepsgeheim. Aan het medisch beroepsgeheim wordt nadere invulling gegeven in de WGBO. De WGBO is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:457 BW legt tevens de instelling waar een hulpverlener werkzaam is de zorgplicht op om het geheim te beschermen. Daarnaast is de geheimhoudingsplicht voor bijvoorbeeld maatschappelijk werkers geregeld in een beroepscode. Meer informatie over de reikwijdte van de geheimhoudingsplicht van een bedrijfsarts vindt u in hoofdstuk 2.3 van de CBP-studie De zieke werknemer.
Het medisch beroepsgeheim houdt in dat een hulpverlener geen gegevens van een patiënt aan anderen mag verstrekken. Het medisch beroepsgeheim geldt ook na het overlijden van de patiënt. Strikte navolging van deze regel zou er echter toe leiden dat na de dood geen enkele informatie over de overledene aan wie dan ook verstrekt zou mogen worden. Dat zou tot situaties kunnen leiden die de overleden patiënt zelf nooit gewild zou hebben. Meer informatie over het geven van inzage in het medisch dossier van een (overleden) patiënt aan diens familieleden vindt u in het informatieblad Rechten van uw patiënt.
Doorbreking medisch beroepsgeheim
Doorbreking van het medisch beroepsgeheim mag alleen als sprake is van:
 toestemming van de patiënt of
 informatie-uitwisseling met degenen die direct bij de behandeling zijn betrokken of
 wettelijk voorschrift of
 conflict van plichten of
 wetenschappelijk onderzoek.
Toestemming
De patiënt dient volledig te zijn geïnformeerd alvorens hij toestemming kan geven. Indien de patiënt jongern is dan 16 jaar, kan zonder diens toestemming informatie verstrekt worden aan de wettelijk vertegenwoordigers van de patiënt, tenzij u door het uitwisselen van informatie met hen niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen.
Rechtstreeks betrokken
U mag informatie delen met degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en uw vervanger, voor zover dit uitwisselen van informatie noodzakelijk is voor hun werkzaamheden. De toestemming van de patiënt daarvoor wordt verondersteld. Als de patiënt bezwaar maakt dan mogen er echter geen medische gegevens verstrekt worden.
Wettelijk voorschrift
Voorbeelden zijn bepalingen in de Wet op de lijkbezorging en de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken.
Conflict van plichten
Een conflict van plichten kan zich voordoen wanneer een zwaarwegend belang van de patiënt of een ander dan de patiënt de doorbreking van de geheimhoudingsplicht rechtvaardigt, omdat het bewaren van het geheim voor de patiënt of de ander ernstig nadeel of gevaar oplevert. Van een conflict van plichten is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake, het moet gaan om een noodsituatie. Een voorbeeld hiervan kan het melden van kindermishandeling zijn. U moet al het mogelijke geprobeerd hebben om zonder doorbreking van uw geheimhoudingsplicht het probleem op te lossen. Bijna altijd gaat het om het afwenden van gevaar. Deze zorgvuldige afweging dient u als hulpverlener zelf te maken. U moet kunnen verantwoorden waarom u inbreuk maakt op de geheimhoudingsplicht die u tegenover uw patiënt heeft.
Wetenschappelijk onderzoek
Alleen onder bepaalde voorwaarden kunnen medische gegevens verstrekt worden voor wetenschappelijk onderzoek. Deze voorwaarden zijn terug te vinden in het informatieblad
Uw omgang met medische gegevens.
Voor andere geheimhouders in de zorg geldt dat zij op vergelijkbare wijze de omvang en grenzen van hun zwijgplicht per geval dienen te bepalen. Ook de rechter kan de geheimhouder in sommige gevallen gelasten dat hij zijn geheimhoudingsplicht doorbreekt door inlichtingen te verstrekken of gegevens af te staan voor onderzoek.
Toegang tot medisch dossier
In de praktijk zijn vele medische dossiers geheel of gedeeltelijk elektronisch vastgelegd, al dan niet in combinatie met een papieren dossier. Deze lokale dossiers worden elektronische medische dossiers genoemd. Bij een elektronisch patiëntendossier (EPD) gaat het om een stelsel van elektronische deeldossiers over één patiënt die door zorgverleners zo nodig op afstand kunnen worden geraadpleegd. Een dergelijk stelsel zou betrekking moeten hebben op de gehele zorgketen en in theorie alle deeldossiers over één patiënt moeten omvatten. Het EPD is met andere woorden de verzameling van de lokaal opgeslagen elektronische medische dossiers. Een EPD bevat dus gegevens van de huisarts, het ziekenhuis in het algemeen, de specialist, de apotheek, de paramedici, enzovoort.
Niet iedereen heeft echter toegang tot het (elektronisch) dossier van een patiënt. De toegang is beperkt tot de direct bij de behandeling betrokkenen. Degenen die rechtstreeks bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst zijn betrokken en diegene die optreedt als de vervanger van de behandelaar, hebben geen expliciete toestemming van de patiënt nodig om de voor hun taakuitoefening noodzakelijke informatie over de patiënt te ontvangen. Deze groep van direct betrokkenen wordt aangeduid met de term ‘functionele eenheid’.
Onder ‘rechtstreeks bij de behandeling betrokken’ kan gedacht worden aan een verpleegkundige of een collega-vakgenoot die door de hulpverlener wordt geraadpleegd met het oog op de behandeling van de patiënt. In de gedragsregels van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst (www.knmg.nl) is neergelegd wat moet worden verstaan onder ‘functionele eenheid’. Zo kan bijvoorbeeld een secretaresse alleen inzage krijgen in dat deel van het dossier dat aangelegd is door de arts voor wie zij werkt. Of indien een verpleegkundige van de ene afdeling niets te maken heeft met de behandeling van de patiënten van een andere afdeling, mag hij/zij deze dossiers niet inzien. Een ander voorbeeld is het uitwisselen van medische dossiers bij een huisartsenpost. In het kader van de avond-, nacht- en weekenddiensten is het in het algemeen mogelijk medische dossiers uit te wisselen tussen een huisartsenpost en de daarbij aangesloten huisartsen. De huisarts dient patiënten hierover wel te informeren, bijvoorbeeld via een patiëntenfolder, en hen de mogelijkheid te geven hier zonodig bezwaar tegen te maken.
Overdracht medisch dossier
De KNMG heeft een richtlijn opgesteld over de procedure na beëindiging van de behandelingsovereenkomst. Hieruit komt naar voren dat u als hulpverlener bereid moeten zijn de originele gegevens van een patiënt op diens verzoek aangetekend per post te versturen aan de opvolgende hulpverlener, dan wel deze mee te geven aan de patiënt. Daarnaast geldt voor de overdracht van een dossier dat u het dossier dient te screenen om te beoordelen of de gegevens in het dossier noodzakelijk zijn voor de hulpverlening door de andere hulpverlener. Voordat u het dossier overdraagt, kunt u de patiënt nog de mogelijkheid bieden om een eigen verklaring aan zijn dossier toe te voegen of een verzoek te laten indienen voor vernietiging van zijn gehele dossier of een deel daarvan. Meer informatie hierover kunt u vinden in het informatieblad Rechten van uw patiënt.
Overdracht van een dossier tijdens een behandelingsovereenkomst is alleen mogelijk als er beroep gedaan kan worden op één van de uitzonderingen van het medisch beroepsgeheim. Het CBP is van oordeel dat toestemming verondersteld kan worden voor het verstrekken van het dossier indien de patiënt akkoord gaat met de overdracht van de behandeling. Indien de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet BOPZ) van toepassing is, kunnen op grond van het Besluit Patiëntendossier Bopz zonder toestemming van de patiënt gegevens worden overgedragen aan de hulpverlener die de behandeling overneemt.
Bij elektronische dossiers gaat het meer om de toegang tot de gegevens dan om de overdracht van het dossier. Wanneer een patiënt overgaat naar een andere hulpverlener is het zaak dat de nieuwe hulpverlener toegang krijgt tot de noodzakelijke gegevens.
Verstrekken van medische gegevens aan andere instanties
De patiënt heeft er recht op dat alles wat u als hulpverlener over hem weet, geheim wordt gehouden voor anderen. Met inachtneming van de normen die voortvloeien uit het medisch beroepsgeheim kunt u in sommige gevallen wel medische gegevens aan derden verstrekken. Hieronder volgt een aantal voorbeelden.
Zorgverzekeraars
In zijn algemeenheid geldt dat hulpverleners gegevens over de behandeling van patiënten aan zorgverzekeraars mogen verstrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de verzekeringsovereenkomst. Hiermee blijft het medisch beroepsgeheim voldoende verzekerd en wordt niet noodzakelijke verspreiding van individuele patiëntgegevens voorkomen. Op 24 februari 2004 hebben het CBP en het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in het kader van het overleg over de Diagnose behandeling combinatie (DBC), gezamenlijk een brief aan de belanghebbende partijen gestuurd. In deze brief (Werkwijze omtrent privacyaspecten bij de invoering van DBC-systematiek vastgesteld) is onder meer het “noodzakelijkheidsvereiste” (doel van de verstrekking, aard en omvang van de gegevens) nader uitgewerkt.
Administratiekantoren, incassobureaus en factoringbedrijven
Hulpverleners verzorgen niet altijd zelf het opstellen en innen van de rekeningen voor hun patiënten. Ze maken gebruik van administratiekantoren, incassobureaus of factoringbedrijven. Voor het kunnen opstellen van gespecificeerde rekeningen hebben deze instanties medische gegevens nodig.
Indien u gebruik maakt van de diensten van een administratiekantoor kan de toestemming van de patiënt voor het verstrekken van de noodzakelijke gegevens worden verondersteld. Voorwaarde hiervoor is wel dat het administratiekantoor bewerker is in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens. Een bewerker verwerkt gegevens ten behoeve van de verantwoordelijke zonder aan zijn rechtstreeks gezag te zijn onderworpen. Een bewerker mag die persoonsgegevens niet gebruiken voor zichzelf. Hij mag ze alleen verwerken volgens de opdracht van de verantwoordelijke. Dit betekent dat u als de hulpverlener verantwoordelijk blijft voor het zorgvuldig en behoorlijk gebruik van de verstrekte gegevens door een administratiekantoor.
Als een patiënt zijn betalingsverplichting niet op tijd nakomt, kunt u een incassobureau inschakelen. Bij het verstrekken van gegevens aan een incassobureau kan ook van veronderstelde toestemming van de patiënt worden uitgegaan. Wel dient dit vooraf te zijn gegaan door betalingsherinneringen, waarbij op deze consequentie wordt gewezen. Bovendien mogen alleen de hoogst noodzakelijke gegevens voor incasso worden doorgegeven en niet de gegevens zoals aard, aantal, tijdstip en periode van de medische verrichtingen.
Voor het betrekken van een factoringbedrijf bij de financiële afhandeling is de uitdrukkelijke toestemming van de patiënt vereist.
Politie en Openbaar Ministerie (OM)
Het beroepsgeheim houdt in dat persoonsgegevens van de patiënt in beginsel niet gedeeld mogen worden met de politie of het OM. In geval van een overmachtsituatie kan dat soms anders zijn. U kunt dan oordelen dat een conflict van plichten u noodzaakt een deel van de gegevens waarop het geheim rust met een derde te delen. Het initiatief zal in voorkomende gevallen steeds bij u als de hulpverlener liggen. Het delen van het geheim is gericht op het afwenden van een direct gevaar of ernstig nadeel voor de betrokken patiënt of een ander dan de patiënt en niet op een opsporingsbelang van politie of OM, hoewel dat laatste er natuurlijk mee gediend kan zijn.
Als er toestemming van de patiënt is, kunnen gegevens verstrekt worden aan de politie, mits de hulpverlener dit niet in strijd acht met goed hulpverlenerschap. Deze toestemming kan onder omstandigheden verondersteld worden, bijvoorbeeld wanneer het ziekenhuis het in het belang van de patiënt zeer wenselijk of noodzakelijk acht contact te hebben met diens familie of partner maar deze zelf niet kan traceren. De politie kan dan hulp bieden bij het vinden van de familie of partner (of de identiteit van de (gewonde) patiënt). Veronderstelde toestemming mag in het kader van de hulpverleningstaak van de politie echter niet als regel gelden. De politie heeft immers ook andere taken zoals de opsporingstaak. Voor dergelijke andere taken, die kunnen volgen op de hulpverleningstaak, kan de toestemming om gegevens te verstrekken niet verondersteld worden.
Als toestemming niet verondersteld mag worden, zal het ziekenhuis of de arts zich zeer terughoudend moeten opstellen met het verstrekken van informatie (zoals identiteit) over een patiënt, zelfs over de aanwezigheid van een bepaalde patiënt in het ziekenhuis. Afgezien van het bovenstaande kan de politie, wanneer bekend is dat een bepaald persoon zich in het ziekenhuis bevindt, van deze persoon zelf of van diens wettelijke vertegenwoordiger de nodige informatie betrekken, na afstemming met de medisch verantwoordelijke.
In het informatieblad Als de politie u vraagt persoonsgegevens te verstrekken vindt u algemene informatie over het verstrekken van gegevens aan de politie. Tevens heeft de KNMG onlangs op zijn internetsite een ‘Handreiking beroepsgeheim en politie/justitie’ gepubliceerd.
Verschillende instanties in het kader van bemoeizorg
Om maatschappelijke problemen aan te pakken, kan samenwerking tussen organisaties noodzakelijk zijn. Zo kan het nodig zijn dat de GGD informatie deelt met instanties als thuiszorg, maatschappelijk werk, GGZ, gemeenten, politie en woningbouwverenigingen, om bepaalde basisbehoeften of hulp- en zorgverlening binnen het bereik van mensen te brengen. Het medisch beroepsgeheim zal het meestal niet mogelijk maken om een medisch dossier beschikbaar te stellen aan de andere partijen binnen het samenwerkingsverband. Echter in bepaalde gevallen kan het beroepsgeheim doorbroken worden. In het kader van bemoeizorg kan op basis van één van de eerder genoemde uitzonderingsgronden relevante informatie met andere instanties gedeeld worden. De desbetreffende hulpverlener dient wel per geval een afweging te maken of hij gegevens uit het medisch dossier verstrekt. Meer informatie over dit onderwerp vindt u in het informatieblad Informatie delen in samenwerkingsverbanden.
Als de patiënt vragen of klachten heeft
Een patiënt heeft verschillende mogelijkheden als hij van mening is dat zijn hulpverlener ten onrechte zijn medische gegevens heeft doorgegeven. Zo kan een patiënt het besluit van de hulpverlener om zijn geheimhoudingsplicht te doorbreken, aanvechten middels een tuchtzaak, een civiele procedure, dan wel een strafrechtelijke procedure.
Iedere zorgaanbieder is verplicht een klachtencommissie in te stellen. In eenvoudige en duidelijke gevallen kan een klacht ook door een klachtenfunctionaris of vertrouwenspersoon worden afgedaan. Bij een regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg kan een patiënt een klacht indienen over een arts, tandarts, verloskundige, apotheker, verpleegkundige, fysiotherapeut, klinisch psycholoog of psychotherapeut. Behalve bij het regionale tuchtcollege kan men ook een klacht indienen bij de officier van justitie. Voor advies en ondersteuning kan een patiënt zich tot een regionaal Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg (IKG) (of via telefoon 0900-2437070) wenden. Een patiënt kan eventueel ook zijn vragen of klachten over omgang met zijn medische gegevens voorleggen aan het CBP. Informatie over de klachtenbehandeling door het CBP vindt u in het informatieblad Klachtenbehandeling door het CBP.
Indien u federatielid KNMG bent, kunt u voor onder meer informatie over geheimhouding en uitzonderingen op de geheimhouding terecht bij de Artseninfolijn van de KNMG of via telefoonnummer 030-2823322.
|