Medisch Tuchtcollege Nederland Voor Belgie klik hier
|
en de adressen van de regionale tuchtcolleges, waar u een klacht kunt indienen in eerste aanleg.
|
|
Meldpunt Medische Fout adviseert naast de tuchtklacht altijd een civiele procedure te starten, omdat tuchtrechters niet oordelen over schade en een andere norm hanteren dan de civiele rechter.
Doelstelling Medisch Tuchtcollege
Veel patiënten, bij wie een medische fout is gemaakt, denken dat het Medisch Tuchtcollege er is om hen te helpen in klachten procedures tegen de betrokken medische beoefenaars. Echter, volgens het Medisch Tuchtcollege zelf is deze organisatie daar niet voor bedoeld. Het doel van het Medisch Tuchtcollege is om door middel van medisch tuchtrecht bij te dragen aan verhoging van de kwaliteit in de gezondheidszorg door het handhaven van medische normen.
|
Benut uw klachtrecht
Derhalve is het erg belangrijk dat u een klacht indient bij het Medisch Tuchtcollege. Het Medisch Tuchtcollege is er natuurlijk niet voor niets en heeft uw klachten nodig om iets te kunnen beoordelen. Ook al wordt uw klacht ongegrond geacht, hetgeen meestal het geval is, u heeft de kans genomen om een bijdrage te leveren aan de verbetering van de gezondheidszorg. Aan het uitsteken van uw nek tegenover medische hulpverleners kleeft het risico dat u Persona Non Grata wordt binnen de medische wereld. De reden is dat het ziekenhuis een claimcultuur wil tegengaan en bang is voor schadeclaims.
Echter, u wilt niet dat de gemaakte fouten worden herhaald bij andere patienten. Het misbruik van de machtspositie door disfunctionerende artsen kan dus alleen worden doorbroken door uw moed en doorzettingsvermogen. In het uiterste geval kan de arts trachten u geestesziek te laten verklaren en u trachten op te sluiten in een psychiatrische inrichting, daarbij heeft hij wel de hulp van een psychiater nodig, ook al is de aangeklaagde arts zelf een psychiater.
Onderzoek naar verdachte verpleger Amstenrade geseponeerd.
20 december 2007
Bron: Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft gisteren de strafzaak tegen de 42-jarige verdachte verpleger J.B. uit Sittard geseponeerd, die op 17 juli 2007 werd aangehouden op verdenking van poging tot moord. Hij werd ervan verdacht in juli 2007 een patiënte in verpleegtehuis Leontien te Amstenrade, zonder enig medisch belang, een te hoge dosis insuline toegediend hebben.
De patiënte werd in het ziekenhuis opgenomen nadat enkele malen een medisch onverklaarbare hypoglycemie (=een te lage of schommelende bloedglucosespiegel) was vastgesteld, maar keerde vrij snel weer terug in het verpleeghuis. Het onderzoek, ingesteld door de regiopolitie Limburg-Zuid (TGO), leidde tot vele getuigenverklaringen in genoemd verpleeghuis. Ooggetuigen zijn niet gevonden. Doordat de verdachte het verweten feit ontkend heeft en er geen sprake is van technisch bewijs dat eenduidig op een misdrijf wijst, heeft het openbaar ministerie besloten deze zaak te seponeren.
Er is geen wettig en overtuigend bewijs geleverd om anders te beslissen in deze zaak. Het heeft enige tijd geduurd voordat deze beslissing genomen is, nu enerzijds het proces-verbaal van de politie gecompleteerd moest worden en anderzijds nog gewacht moest worden op de definitieve resultaten van forensisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).
De verdachte heeft vanaf 17 juli 2007 in voorarrest gezeten en werd door de raadkamer van de rechtbank, wegens gebrek aan ernstige bezwaren, op 30 augustus 2007 vrijgelaten. In het onderzoek werden op 17 en 18 juli 2007 doorzoekingen ter inbeslagneming verricht door de rechter-commissaris strafzaken, in de woning van de verdachte te Sittard en in het verpleeghuis in Amstenrade, in de kledingkast van verdachte en op de afdeling waar verdachte werkzaam was.
De familie van de patiënte is gisteren op de hoogte gebracht van deze beslissing. De verdachte en zijn raadsman, de rechter-commissaris strafzaken in de rechtbank en het bestuur van Cicero Zorggroep zijn gisteren in kennis gesteld van deze beslissing.
"Mensen vastzetten zonder diagnose, dat zijn praktijken uit het voormalige Oostblok’, zegt psychiater Van Hezewijk, bestuurder van GGZ Breburg groep in Tilburg.
Maar........... In het Maasland Ziekenhuis in Sittard (Orbis Zorgconcern) kan het!
|
Een mensenrechtenbenadering van geweld tegen vrouwen
Oratie prof. dr. Ineke Boerefijn. Universiteit Maastricht: De blinddoek opzij
Geweld tegen vrouwen is een schending van de rechten van de mens.
Een effectieve aanpak door de overheid moet daarom op mensenrechten zijn gebaseerd. Dat is de boodschap van Ineke Boerefijn, die vrijdag 8 december 2006 met haar oratie de Opzij-wisselleerstoel aanvaardde. Ze is de vierde Opzij hoogleraar.
‘Medisch tuchtrecht voldoet niet meer’
NRC Handelsblad, 20 april 2007
Het medisch tuchtrecht moet worden herzien. Het stelt artsen enkel individueel verantwoordelijk, terwijl bij een behandeling vaak allerlei hulpverleners betrokken zijn.
In de jaarrede van de Vereniging voor Gezondheidsrecht vandaag, stelt voorzitter Johan Legemaate, bijzonder hoogleraar gezondheidsrecht aan de Vrije Universiteit, dat het mogelijk moet zijn om samenwerkingsverbanden, zoals maatschappen, als geheel aansprakelijk te stellen bij medische fouten.
Als patiënten een klacht indienen bij het tuchtcollege, is de kans klein (circa 18 procent) dat die gegrond wordt verklaard en tot een maatregel leidt. Dat komt onder meer doordat veel hulpverleners voor slechts een deel van de behandeling verantwoordelijk zijn. Ook schiet volgens Legemaate het Nederlandse klachtrecht als geheel voor patiënten tekort. Veel patiënten weten bijvoorbeeld niet waar ze met hun klachten terecht kunnen. Ook zouden patiëntenvertegenwoordigers in de tuchtcolleges moeten zitten, vindt hij. De tuchtcolleges bestaan nu enkel uit juristen en hulpverleners.
Bij het indienen van een schadeclaim is sprake van „moeizame en ontmoedigende trajecten, waarin uiteindelijk minder mensen worden gecompenseerd dan op grond van de feiten gerechtvaardigd zou zijn.” Verzekeraars van de artsen wijzen claims in veel gevallen af, zegt Legemaate. En veel patiënten zien emotionele en financiële belemmeringen om een rechtszaak te beginnen. Een no-fault verzekering zou uitkomst kunnen bieden. Daarbij krijgen patiënten bij medische ongevallen snel een financiële vergoeding zonder dat eerst vast hoeft komen te staan wie voor dat ongeval verantwoordelijk is. In België is zo’n systeem onlangs goedgekeurd door het parlement.
11 mei 2007
Tuchtcolleges onvoldoende bekend bij publiek??
De regionale tuchtcolleges voor de medische zorg vragen zich in hun jaarverslag af of hun bestaan wel voldoende bekend is bij het publiek.
De tuchtcolleges in Amsterdam, Den Haag, Eindhoven, Groningen en Zwolle ontvingen in 2006 bij elkaar 1322 klachten. Afgezet tegen de miljoenen contacten op jaarbasis van patiënten met artsen, tandartsen, ziekenhuizen, psychologen, apotheken en andere verleners van medische zorg lijkt dat erg weinig. De tuchtcolleges denken dat lang niet iedereen weet dat je bij klachten over zorgverleners bij hen terecht kan. Het aantal klachten stijgt wel de laatste jaren.
Commentaar Meldpunt Medische Fout: Iedereen weet wel van het bestaan van een Medisch Tuchtcollege, maar de indruk bij de patienten bestaat dat artsen elkaar de hand boven het hoofd houden, dus besparen zij zich de moeite. Toch is het nodig dat patienten een klacht indienen, want anders blijven de klachten onder de tafel. Soms kan klagen helpen om de kwestie onder de aandacht te brengen. Er zijn genoeg artsen welke wel kwaliteit willen leveren. De informatie uit klachten kan dan aanknopingspunten bieden tot verbetering van de kwaliteit van de dienstverlening. Er zijn in elke branche rotte appels, die het bederven voor de anderen en daardoor de anderen ook rotte plekken bezorgen, maar het uitgangspunt is dat de arts zijn best doet. Ideaal zou zijn als de rotte appel meteen uit de mand zou worden gehaald, om rotting van de gehele mand te voorkomen en niet liefdevol zou worden afgedekt met een papiertje van het Medisch Tuchtcollege....
Het indienen van een klaagschrift bij het Medisch Tuchtcollege
Indien u zelf een klacht wilt indienen bij het Medisch Tuchtcollege, volgt hieronder een voorbeeldbrief, met de gegevens welke u dient in te vullen.
Aan ... (naam en adres van het Tuchtcollege)
Ondergetekende ... (uw eigen naam en voornamen voluit), geboren ... (uw geboortedatum), wonende ... (uw adres), heeft een klacht over ... (naam en het praktijk- of woonadres van degene over wie u klaagt).
De reden voor de klacht is ... (vertel hier zo kort en feitelijk mogelijk wat er is gebeurd).
Ik verzoek u de klacht in behandeling te willen nemen.
Datum ...
Handtekening ...
N.B. Klaagt u over de behandeling van iemand anders, vermeld dan naast uw eigen gegevens ook de naam, het adres en de geboortedatum van die persoon. Geef daarbij aan waarom u de klacht indient in plaats van de persoon zelf.
|
Voorbeeld van een uitspraak tegen een psychiater. De klacht was ingediend door de Inspecteur van de Gezondheidszorg. De psychiater had pillen (Ritalin) ontvreemd uit het ziekenhuis en was zwaar verslaafd aan zowel medicijnen als alchol. De patienten hadden geen klacht ingediend en dus oordeelde het Medisch Tuchtcollege, dat de zorgverlening aan de patienten niet onder zijn verslavingsgedrag en stoornis hoeft te hebben geleden.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 5 april 2007 naar aanleiding van de op 14 december 2005 bij het Regionaal Tuchtcollege te B en na doorverwijzing op 31 juli 2006 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle, ingekomen klacht van
A, in zijn hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg te B,
en
C, in haar hoedanigheid van Inspecteur voor de Gezondheidszorg te B,
k l a g e r s
-tegen-
D, psychiater, wonende te E, bijgestaan door mr. J.J.W. Remme, advocaat te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Klagers hebben een klaagschrift voorzien van bijlagen ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, eveneens voorzien van bijlagen. Zij hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.
Het mondelinge vooronderzoek, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, is gehouden op 18 september 2006.
Verweerder heeft op 6 december 2006 een productie ingezonden en op 31 januari 2007 nog een viertal producties.
De zaak is behandeld ter openbare zitting van 16 februari 2007, alwaar zijn verschenen klagers en verweerder, bijgestaan door zijn raadsman.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Verweerder was tot het voorjaar van 2005 als psychiater verbonden aan de GGZ-instelling F. Per 1 mei 2005 is verweerder in dienst getreden bij
GGZ- instelling G.
Vanaf 2001 heeft verweerder grote hoeveelheden Ritalin voor eigen gebruik uitgeschreven op naam van andere patiënten en op receptenpapier van het ziekenhuis waar hij al geruime tijd niet meer werkte.
Daarnaast heeft verweerder Ritalin ontvreemd van de afdeling van G.
Verweerder heeft in januari 2004 met een der klagers met betrekking tot het voorgaande een onderhoud gehad. Op dat moment gaf verweerder aan te zijn gestopt met het gebruik van Ritalin.
Verweerder heeft toen met klagers afspraken op papier gezet om een terugval te voorkomen.
Voorts is verweerder onder behandeling gekomen bij de H in B.
Eind juni/begin juli 2005 is verweerder weer begonnen met het gebruik van Ritalin en het uitschrijven van recepten op naam van andere patiënten en receptenpapier van collega- psychiaters. Ook heeft verweerder Ritalin, die voor andere patiënten was bestemd, weggenomen. Op 26 september 2005 vertrouwde een betrokken apotheker een en ander niet en zocht contact met G. Die dag heeft verweerder de Ritalin die hij had weggenomen verstopt op het terrein van G.
Verweerder heeft in een gesprek met de Raad van Bestuur van G alles bekend. Verweerder is op staande voet ontslagen.
Verweerder heeft zich daarop aangemeld voor behandeling in een ontwenningskliniek te Schotland. Eind 2005/begin 2006 heeft de behandeling aldaar plaatsgevonden.
Verweerder heeft als bijlage bij het verweerschrift een drietal verklaringen van behandelaren in Schotland en vertalingen daarvan overgelegd. Daaruit blijkt dat er bij verweerder ook sprake is van een alcoholverslaving. Op 6 november 2006 heeft verweerder een rapportage van de psychiater I overgelegd en op 29 januari 2007 een viertal stukken betreffende zijn functioneren.
De inhoud van al die stukken is partijen bekend en wordt hier geacht te zijn herhaald en overgenomen.
3. DE KLACHT
Klagers verwijten verweerder -zakelijk weergegeven- dat hij grote hoeveelheden Ritalin op naam van andere patiënten voor eigen gebruik heeft voorgeschreven door gebruik te maken van receptenpapier van collega psychiaters en dat hij flinke hoeveelheden Ritalin heeft ontvreemd van de afdeling van GGZ G waar hij werkzaam was.
Klagers zijn van oordeel dat verweerder hiermee anderen in diskrediet heeft gebracht en de patiëntenzorg in die zin in gevaar heeft gebracht dat het medicatiebewakingssysteem van de betrokken patiënten daardoor gevaar kon lopen.
Voorts heeft hij Ritalin op het terrein van G verborgen waardoor hij derden, waaronder patiënten, aan gevaar heeft blootgesteld.
Klagers tillen met name zwaar aan de verweten gedragingen omdat verweerder de met klagers gemaakte afspraken met voeten heeft getreden.
4. HET VERWEER
Verweerder erkent de hem verweten gedragingen en erkent dat hij daarmee bij herhaling in strijd heeft gehandeld met het belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg als bedoeld in artikel 47 eerste lid sub b van de Wet BIG.
Verweerder wijst er echter op dat in zijn leven een ommekeer heeft plaatsgevonden waardoor hij thans weet hoe hij tegen zijn verslaving moet vechten.
Verweerder aanvaardt het opleggen van een maatregel en spreekt de hoop uit dat, in het geval een maatregel als genoemd in artikel 48 lid 1 sub d of e Wet BIG wordt opgelegd, deze maatregel met toepassing van het bepaalde in artikel 48 lid 6 Wet BIG voorwaardelijk wordt opgelegd onder vaststelling van bepaalde voorwaarden.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Over de feiten bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Vast staat dan ook dat verweerder zich aan het hierboven beschreven handelen heeft schuldig gemaakt.
Het College tilt met name zwaar aan het feit dat verweerder recepten heeft uitgeschreven ten behoeve van anderen en gebruikmakend van receptenpapier van collega psychiaters. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij die recepten uitschreef op naam van patiënten met een buitenlandse naam, zoals die van hemzelf, die een ziektebeeld hadden waarbij ze die medicatie zouden kunnen gebruiken. Hij heeft, zo verklaarde hij, daarbij met name gekeken naar het risico dat hij hier zelf bij liep en niet naar het risico dat die patiënten daarbij zouden kunnen lopen. Verweerder heeft aldus - in ernstige mate - gehandeld in strijd met het belang van de individuele gezondheidszorg. De klacht is derhalve gegrond.
5.2
Daarbij tekent het College nog het volgende aan. Verweerder verklaarde ter zitting dat hij op zeker moment onder meer tot 70 tot 80 tabletten Ritalin 10 mg per dag gebruikte. Daarnaast gebruikte hij flinke hoeveelheden benzodiazepines en efexor. Verweerder verklaarde ter zitting dat zijn functioneren onder het gebruik van deze middelen onvoldoende was. Het College is van oordeel dat op grond van het aangegeven gebruik gesproken kan worden van een ernstig verslavingsziektebeeld bij verweerder. Echter, niet gebleken is dat de patiëntenzorg hieronder daadwerkelijk heeft geleden. Klagers hebben dit ook geen onderdeel van de klacht gemaakt.
5.3
Ten aanzien van het verbergen van Ritalin op het terrein van G overweegt het College het volgende. Verweerder verklaarde ter zitting dat hij gedurende een half uur, onder een struik bij de parkeerplaats van G, 200 tabletten Ritalin heeft verborgen. Het College is van oordeel dat het gevaar waaraan hij aldus patiënten heeft blootgesteld niet als zodanig kan worden aangemerkt dat hem daarvan in tuchtrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Dit element van de klacht slaagt dan ook niet.
5.4
Ten aanzien van de aan verweerder op te leggen maatregel is met name van belang, zoals blijkt uit de overgelegde stukken en uit hetgeen verweerder ter zitting verklaarde, dat verweerder zich van meet af aan ten opzichte van klagers en ten opzichte van het College zeer coöperatief heeft opgesteld. Voorts is van belang dat hij, in ieder geval thans, ziekte-inzicht heeft en dat hij, door middel van een keur aan maatregelen en afspraken, terugval tracht te voorkomen.
5.5
Het College is dan ook van oordeel dat bij de op te leggen maatregel middels voorwaarden aansluiting dient te worden gezocht bij de al genomen maatregelen en afspraken, met dien verstande dat de vrijwillig door verweerder ondergane bloed- en urinetests door een ARBO-arts niet als voorwaarde zal worden opgelegd omdat deze wijze van controle op alcohol- en middelengebruik naar het oordeel van het College met onvoldoende waarborgen is en kan worden omkleed. Verweerder dient dan ook de hierna aan te geven (voorwaardelijke) maatregel te worden opgelegd.
6. DE BESLISSING
Het Regionaal Tuchtcollege:
 schorst de inschrijving van verweerder in het register ex artikel 3 van de Wet BIG voor de duur van een jaar;
 legt deze maatregel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar en stelt daarbij de voorwaarde dat:
tegen verweerder gedurende de proeftijd geen klacht betreffende het thans gewraakte handelen wordt ingediend die -eventueel pas na ommekomst van die proeftijd- tot een veroordeling leidt.
dat hij zich zo lang als dat nodig wordt geacht onder psychiatrische behandeling stelt en, indien die behandeling voor de beëindiging van de proeftijd wordt gestopt, een afschrift van de ontslagbrief terzake aan klagers wordt gezonden.
dat hij gedurende de proeftijd elk half jaar aantoont aan klagers dat hij het programma van de anonieme alcoholisten en de narcotics anonymous blijft volgen.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. A.L. Smit, voorzitter, prof. mr. J.C.J. Dute, lid-jurist, E.H. The-van Leeuwen, J.N. Voorhoeve en prof. dr. F. A. M. Kortmann, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.
-------------------------------------------------------------------------------------
Medisch Contact:
Tuchtzaken > Uitspraken 2008
MC 01 - Vrijheidsbeneming in de psychiatrie (Radboudziekenhuis Nijmegen)
Publicatie: Uitspraken 2008
Onderstaande uitspraak is vooral van belang voor de situatie waarin een psychiater wil beletten dat een vrijwillig opgenomen patiënt die een gevaar voor zichzelf is, de instelling wil verlaten. Dat is mogelijk door de officier van justitie op grond van de Wet Bopz een zogenaamde rechterlijke machtiging te laten aanvragen bij de rechter.
De vraag was nu: mag de patiënt al worden tegengehouden in de periode tussen het aanvragen van de machtiging en een positieve beslissing van de rechter daarover? Jawel, oordeelt het Gerechtshof Den Bosch in het onderhavige geval: de brief waarin de officier van justitie aan de instelling laat weten dat de machtiging is aangevraagd, is voldoende voor de ‘tussentijdse’ vrijheidsbeneming.
In de media reageerde de psychiater opgelucht: ‘Gelukkig had het hof oog voor de praktijk’ (Volkskrant 7-12-2007). Eerder had hij in een artikel in Medisch Contact al betoogd dat de huidige wetgeving te weinig ruimte laat om bij ernstig zieke psychiatrische patiënten met dwang in te grijpen (MC 23/2005: 993).
De opluchting van de psychiater valt goed te begrijpen, maar wij zijn bang dat die opluchting niet helemaal terecht is. Verscheidene Bopz-experts hebben er in reactie op de uitspraak op gewezen dat het Gerechtshof Den Bosch de wet verkeerd interpreteert. Het is namelijk maar zeer de vraag of de bedoelde brief van de officier van justitie de ‘tussentijdse’ vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen.
Op deze plaats laten wij deze juridisch-technische kanten verder rusten.
De uitspraak laat een waar praktijkdilemma zien. Kan van psychiaters worden gevraagd dat zij patiënten die naar hun mening een gevaar vormen voor zichzelf of anderen in afwachting van een rechterlijke beslissing laten gaan? Om de patiënt dan na een week alsnog met een geldig papiertje te kunnen opnemen? Een week waarin de prognose alsmaar kan verslechteren? Als het Gerechtshof Den Bosch het inderdaad bij het verkeerde eind heeft, moet de wetgever daar maar eens goed naar kijken.
B.V.M. Crul, arts
prof. Mr. J. Legemaate
Uitspraak Gerechtshof ’s-Hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken 6 december 2007 (ingekort)
Arrest gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 21 juni 2004 in de strafzaak (…) tegen: verdachte, waarbij:
- verdachte van de onder 2 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving werd vrijgesproken;
- (…)
Hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
(…)
De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte terzake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren (…)
De verdediging heeft:
- primair vrijspraak bepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;
- (…)
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter. (…)
Aan verdachte is (...) ten laste gelegd dat:
1. (…)
2. hij in of omstreeks de periode van 16 april 2002 tot 8 mei 2002 te Nijmegen, opzettelijk betrokkene wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd gehouden en/of heeft laten houden door haar, zonder dat gebleken is van de nodige bereidheid daartoe, in een psychiatrisch ziekenhuis of ziekenhuis, niet zijnde een psychiatrisch ziekenhuis, te doen opnemen en/of op te nemen en/of haar verblijf aldaar te doen voortduren, terwijl hij wist dat de daarvoor benodigde bescheiden als bedoeld in artikel 53 en/of 54 Wet Bopz niet waren overgelegd en/of aanwezig waren.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:
(…).
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
A. Feitelijke gang van zaken
Op 16 april 2002 wordt betrokkene opgenomen in de inrichting van de GGZ Nijmegen, na te zijn beoordeeld door de regionale crisisdienst, dat een onderdeel is van de GGZ Nijmegen. De GGZ Nijmegen stelt in haar brief van 19 augustus 2003, gericht aan het arrondissementsparket Arnhem, dat die opname geschiedde op vrijwillige basis.
Verdachte was, blijkens zijn verklaring tegenover de rechter-commissaris op 24 maart 2003, de behandelaar van die betrokkene.
Verdachte ziet betrokkene naar eigen zeggen voor het eerst een dag na de opnamedatum - het hof begrijpt: 17 april 2002 - en vervolgens een paar dagen later, te weten op 22 april 2002, voor de tweede keer.
Op 26 april 2002 wordt er vervolgens een geneeskundige verklaring opgesteld met het oog op het verkrijgen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet Bopz inzake de patiënt.
(…)
Vervolgens wordt er door de officier van justitie in het arrondissement Arnhem een brief gestuurd aan de GGZ Nijmegen, d.d. 1 mei 2002, waarin aan de GGZ wordt medegedeeld dat er op die datum een vordering tot voorlopige machtiging is ingesteld betreffende eerdergenoemde betrokkene. Op 8 mei 2002 wordt een voorlopige machtiging toegewezen voor een periode van drie maanden.
B. Oordeel van het hof
B.1. De opname van betrokkene
(…)
B.2. Het eerste contact van verdachte met betrokkene
Verdachte heeft naar eigen zeggen betrokkene voor het eerst gezien op 17 april 2002, dat wil zeggen een dag na de opnamedatum. Het hof stelt vast dat de verklaring van verdachte afwijkt van de stelling van zijn raadsvrouwe. Immers, zij heeft betoogd dat verdachte betrokkene eerst op 22 april 2002 heeft gezien en onderzocht.
Over het contact op 17 april 2002 verklaart verdachte bij de rechter-commissaris onder meer dat ‘een gesprek met betrokkene onmogelijk was en dat zij niet normaal antwoord kon geven’, dat ‘hij verbaasd was dat het een vrijwillige opname was’ en dat ‘betrokkene niet heeft gezegd dat ze niet wilde worden opgenomen’.
Ten aanzien van de vraag of op dat moment bij betrokkene de nodige bereidheid tot voortdurend verblijf ontbrak, overweegt het hof als volgt.
De opname van betrokkene op 16 april 2002 geschiedde, zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, op vrijwillige basis. Eenmaal vrijwillig opgenomen, kan het er voor worden gehouden dat die vrijwilligheid (de nodige bereidheid) voortduurt totdat de betrokkene te kennen geeft niet langer in de inrichting te willen verblijven. Niet is komen vast te staan dat betrokkene zich in het eerste contact met verdachte op 17 april 2002 in die zin heeft uitgelaten. Het verblijf van betrokkene was derhalve ook na 17 april 2002 niet wederrechtelijk.
B.3. Het tweede contact van verdachte met betrokkene
Verdachte heeft vervolgens betrokkene wederom gezien en onderzocht op 22 april 2002. Over dat contact verklaart verdachte bij de rechter-commissaris dat ‘hij besloot een rechterlijke machtiging aan te vragen omdat er met betrokkene niet te praten was over een behandeling en hij van mening was dat betrokkene dringend behandeling behoefde’ en ‘dat hij geen inbewaringstelling heeft aangevraagd omdat er van het daarvoor vereiste acuut gevaar geen sprake was’.
Ten aanzien van de vraag of er op dat moment bij betrokkene de nodige bereidheid tot voortdurend verblijf ontbrak, overweegt het hof als volgt.
Ook ten aanzien van het contact van verdachte met betrokkene op 22 april 2002 is niet komen vast te staan dat betrokkene toen heeft kenbaar gemaakt de inrichting te willen verlaten. Zij was slechts niet in staat zich uit te laten over de door verdachte dringend noodzakelijk geachte behandeling. Dat kan een terechte reden vormen voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging teneinde desalniettemin tot behandeling te kunnen overgaan. Met de constatering van verdachte dat betrokkene niet in staat was zich uit te laten over een behandeling en de daarop door verdachte genomen beslissing om de procedure voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging in gang te zetten, verviel niet de grondslag van het verblijf, te weten de vrijwilligheid.
Ook na 22 april 2002 was er derhalve geen sprake van dat betrokkene wederrechtelijk van haar vrijheid werd beroofd gehouden.
C. De gevolgde procedure
Uit het strafdossier is vervolgens het volgende komen vast te staan:
- nadat gebleken was dat betrokkene niet in staat was zich uit te laten met betrekking tot de dringend noodzakelijke behandeling, is door de verdachte de Bopz-procedure voor het aanvragen van een rechterlijke machtiging in gang gezet;
- daarbij is niet gekozen voor de weg van de inbewaringstelling, ex artikel 20 van de Wet Bopz, omdat er naar de inschatting van verdachte geen sprake was van acuut gevaar;
- de inrichting heeft vervolgens de procedure opgestart om tot een voorlopige (rechterlijke) machtiging te komen ex artikel 2 van de Wet Bopz;
- op 22 april 2002 werd een verzoek gedaan om tot een beoordeling van betrokkene te komen;
- op 25 april 2002 vond die beoordeling plaats;
- op 26 april 2002 werd de geneeskundige verklaring met het oog op het verkrijgen van een voorlopige machtiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet Bopz opgesteld en ondertekend;
- op 1 mei 2002 werd de rechterlijke machtiging verzocht en heeft de officier van justitie schriftelijk aan de inrichting medegedeeld dat hij een vordering tot voorlopige machtiging had gedaan;
- op 8 mei 2002 werd een voorlopige machtiging toegewezen voor een periode van drie maanden.
D. Oordeel van het hof
Het hof overweegt als volgt.
De Wet Bopz beoogt gevaar, dat personen met een stoornis van de geestvermogens veroorzaken, te beteugelen door onvrijwillige opname, voor zover die personen geen blijk geven van de nodige bereidheid daartoe. Vanwege de ingrijpendheid ervan zijn de gevallen waarin onvrijwillige opname mogelijk is, zomede de in acht te nemen procedures in de wet uitputtend geregeld. Buiten die gevallen en zonder die procedures is onvrijwillige opname niet geoorloofd.
Artikel 6, derde lid, van de Wet Bopz bepaalt dat de officier van justitie zijn beslissing inzake het doen van een verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging schriftelijk meedeelt aan de geneesheer-directeur ingeval het ver-zoek betrekking heeft op een persoon die reeds in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft.
In artikel 54, eerste lid, juncto tweede lid van de Wet Bopz wordt onder meer bepaald dat indien door of ten aanzien van een niet op grond van enige wet-telijke grondslag opgenomen persoon blijk wordt gegeven van de wil tot beëindiging van het verblijf, het verblijf in het ziekenhuis kan worden voortgezet tegen overlegging van een mededeling van de officier van justitie (ingevolge artikel 16, derde lid, juncto artikel 6, derde lid van de Wet Bopz) dat door hem een verzoek is gedaan tot het verkrijgen van een machtiging tot voortgezet verblijf.
Met het hiervoor genoemde schriftelijke bericht van de officier van justitie d.d. 1 mei 2002 aan de inrichting was er derhalve vanaf die datum een titel voor onvrijwillig, gedwongen verblijf en desnodig voor een dringend noodzakelijke behandeling, zonder dat betrokkene daarmee instemde. Van wederrechtelijke vrijheidsberoving was dan ook na 1 mei 2002 geen sprake.
E. Conclusie
Het voren overwogene brengt het hof tot de volgende slotsom.
Voor zover het onder 2 ten laste gelegde feit betrekking heeft op de periode van 16 april 2002 tot en met 1 mei 2002, dient verdachte te worden vrijgesproken, omdat in die periode bij betrokkene sprake was van de nodige bereidheid tot (voortzetting van de) opname, zodat niet kan worden bewezen verklaard dat betrokkene wederrechtelijk van haar vrijheid werd beroofd.
Het standpunt van de advocaat-generaal, voor zover inhoudende dat bij betrokkene reeds vanaf de dag van haar opname geen sprake was van de nodige bereidheid tot opname, wordt door het hof niet gevolgd.
Voorzover het onder 2 ten laste gelegde feit betrekking heeft op de periode van 1 mei 2002 tot 8 mei 2002, dient verdachte daarvan eveneens te worden vrijgesproken, omdat in die periode de titel tot verblijf in de inrichting gebaseerd was op de schriftelijke mededeling van de officier van justitie d.d. 1 mei 2002, zodat vanaf toen - mocht van de nodige bereidheid bij betrokkene geen sprake meer zijn - het gedwongen verblijf in de inrichting evenmin wederrechtelijk was.
Bijgevolg zal verdachte van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.
(…)
Beslissing
Het hof:
- vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.
- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
(…)
Aldus gewezen door mr. J.P.F. Rijken, voorzitter, mr. H.D. Bergkotte en mr. J.A. van Zon, in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier, en op 6 december 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
--------------------------------------------------------------------------------------------
Samenvattingen van beslissingen
Waarschuwing voor orthopedisch chirurg wegens niet-naleving van medicatieprotocol
Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven
Een vrouw van 72 jaar was aan haar voet geopereerd en werd drie dagen later onwel en overleed. Voor de operatie was verzuimd een geneesmiddel te geven om trombose te voorkomen. Het ziekenhuisprotocol schreef dit wel voor, maar de verpleging regelde de medicatie normaliter zonder tussenkomst van de chirurg. De chirurg werd verweten dat hij het protocol niet had nageleefd en bovendien dat hij geen recept had ondertekend. Het benodigde medicijn betrof een UR geneesmiddel (UR is uitsluitend op recept en dus met paraaf van een arts en aflevering door de apotheek).
In ziekenhuizen noemt men een recept een medicatieopdracht en is het gebruikelijk dat de verpleging zonder tussenkomst van een arts medicatie voorschrijft. Volgens de Geneesmiddelenwet moet een arts het recept ondertekenen of een beveiligde code intypen voordat het recept wordt verwerkt door de apotheek.
-----------------------------------------------------------------------------------------
Hof Arnhem 6 maart 2007 nr. 2005/393
Een door het Medisch Tuchtcollege Zwolle gegrond verklaarde klacht tegen een gyneacoloog leidde niet tot aansprakelijkheid voor schade, wegens ontbreken van causaal verband tussen het onzorgvuldige handelen van de gyneacoloog en de schade van appellante.
In deze casus ging het om een vrouw (32), welke beviel van haar derde kind. Een arts-assistent hielp haar bij de bevalling. Volgens het protocol waarschuwde de arts-assistent de verantwoordelijke gyneacoloog bij volledige ontsluiting. De verantwoordelijke gyneacoloog verscheen een kwartier later, toen de romp en schouders van de baby al geboren waren. De vrouw stelt dat zij psychische schade heeft geleden door het late arriveren van de gyneacoloog. Er was geen lichamelijk letsel bij moeder en kind. Het ging om een stuitbevalling en het kind kreeg na de bevalling zuurstof gediend. De vrouw stelt dat er paniek was bij de arts-assistent en de verpleegster omdat de gyneacoloog niet tijdig arriveerde en dat zij daarvan ook in paniek is geraakt en een trauma heeft opgelopen. Zij is na de bevalling onder behandeling gekomen van een seksuoloog, klinisch psycholoog een psychiater (dr Jessurun), een internist een gyneacoloog. De psychiater, dr Jessurun constateert post-traumatische stress stoornis, alsmede een depressieve stoornis.
Civielrechtelijke norm versus tuchtrechtelijke norm
De civiele rechter is niet gebonden aan het oordeel van de tuchtrechter. Het gaat om verschillende normstelsels en toetsingkaders. Het medisch tuchtrecht is vooral gericht op de handhaving van de kwaliteit van de professionele beroepsuitoefening in de gezondheidszorg (vgl. art. 47 lid 1 Wet BIG).
De tuchtrechter legde de maatregel van waarschuwing op (ex art. 48 lid 1 sub a Wet BIG).
In de civiele procedure gaat het enkel om de beoordeling van het beroepsmatig handelen van de arts bezien vanuit zijn relatie tot de individuele patient in relatie tot hiervoor genoemde civielrechtelijke norm. In de casus is er volgens de civielrechtelijke norm geen medische fout gemaakt: Niet kan worden gezegd dat de bevalling medisch gezien onjuist is verlopen. Evenmin is gebleken dat het personeel inadequaat heeft gehandeld. Volgens het medisch tuchtcollege zou de bevalling niet wezenlijk anders zijn verlopen bij eerder arriveren van de gyneacoloog.
BW. art. 7:453.
------------------------------------------------------------------------------------------
Artsen Millecam uit hun vak gezet door Centraal Tuchtcollege
NRC Handelsblad, 19 juni 2007
Twee van de drie artsen die de aan borstkanker overleden actrice Sylvia Millecam op alternatieve wijze hebben behandeld, worden uit hun beroep gezet.
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg heeft daarover vanmiddag uitspraak gedaan. Een van de drie artsen moest zijn titel van het regionaal tuchtcollege in Amsterdam vorig jaar al inleveren, omdat hij al eerder voor de tuchtrechter moest verschijnen. De andere twee – een arts en een internist – werden respectievelijk een jaar en zes maanden uit hun beroep geweerd. De artsen gingen tegen de uitspraak in beroep. Ook de internist moet nu zijn artsentitel inleveren. Voor de derde arts blijft de schorsing voor een jaar gelden.
Het centraal tuchtcollege oordeelde vanmiddag over de internist: „Een arts die zich – mede – begeeft op het terrein van de alternatieve geneeskunde schudt daarmee de hoedanigheid van arts niet af.” De arts wist dat bij de actrice borstkanker was geconstateerd en heeft haar niet naar behoren onderzocht, behandeld en/of doorverwezen. In 2001 overleed de actrice aan borstkanker.
De internist behandelde de actrice met magneetveldtherapie. Later zei de internist ook dat hij „geen aanwijzing zag voor kanker”. Volgens het centraal tuchtcollege is de internist „zeer ernstig tekort geschoten” jegens de patiënt. Ook zíjn handelen kan volgens het college niet als een incident worden beschouwd.
Millecam bezocht meerdere alternatieve genezers, waaronder de vrouw die bekend werd als medium Jomanda. Maar alleen de drie artsen vallen onder het medisch tuchtrecht. Het Openbaar Ministerie maakte eind 2006 bekend een zouttherapeut, Jomanda en de drie alternatieve genezers niet strafrechtelijk te vervolgen voor het feit dat zij de actrice van reguliere behandeling zouden hebben afgehouden. Volgens het OM had onderzoek „onvoldoende aanwijzingen” opgeleverd.
------------------------------------------------------------------------------------------------
Verkrachter gaat weer verder als arts
Door ANNELIEKE DIJKSTRA, Algemeen Dagblad, 10 juli 2007
Artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners die voor een zedendelict zijn veroordeeld, kunnen hun beroep gewoon blijven uitoefenen.
Zorgverlenende instanties vragen vaak geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) van hun werknemers. De overheid heeft dat middel juist in het leven geroepen om kwetsbare groepen, zoals patiënten, te beschermen tegen misbruik.
Uit onderzoek van deze krant blijkt dat vorig jaar driekwart van alle mensen die in de zorg een baan of nieuwe werkgever kregen, geen VOG hoefde te tonen. Dit leidt er toe dat zedendelinquenten ondanks een veroordeling momenteel weer onbelemmerd in de zorg werken.
Reclassering Nederland is verbijsterd. ,,Deze mensen mag je nooit opnieuw neerzetten op de plek waar ze de fout in zijn gegaan. Dat is vragen om problemen,’’ zegt directeur Sjef van Gennip. Zelfs drie van de vier kinderziekenhuizen in ons land vragen niet om het document.
Ook instellingen die in het verleden te maken hadden met seksueel misbruik door een medicus, screenen personeel niet op hun justitieel verleden. Van Gennip: ,,Die VOG moet altijd worden aangevraagd als met kwetsbare groepen wordt gewerkt. Het is geen garantie, maar wel een goed hulpmiddel om de boosdoeners eruit te pikken.’’
De Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) vindt het niet nodig de verklaring verplicht te stellen. ,,Als iemand niet deugt, zou dat in de opleiding al tot uiting moeten komen,’’ zegt woordvoerster Marije Hulsbosch. ,,Bovendien gaan we ook uit van goed vertrouwen in onze sector.’’ De VOG wordt door het ministerie van Justitie afgegeven. Het ministerie heeft de verklaring in de zorg niet verplicht gesteld, maar vindt wel dat deze moet worden gebruikt in omgevingen waar één-op-éénsituaties en afhankelijkheidsrelaties bestaan.
Verkrachting van drie vrouwen en ontucht met zijn dochtertje kwam een huisarts te staan op een celstraf van anderhalf jaar. Desondanks runt hij, nog steeds als arts, vandaag de dag een medisch centrum voor mannen met seksuele problemen.
De man heeft voor het voeren van zijn dokterstitel namelijk geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) nodig. En dat terwijl de teksten van de vrouwen (onder wie één patiënte) met wie hij een relatie had, er niet om liegen. De arts zou hen verscheidene keren hebben verkracht en een dominante agressieveling zijn.
,,Seksueel gezien is hij volkomen gestoord,” vertelde een 40-jarig slachtoffer in 1995 aan de politie. „Iedere morgen en iedere avond moest het gebeuren, soms meerdere keren achter elkaar. Hij had mij volkomen in zijn macht.” Het 10-jarige dochtertje van de arts verklaarde dat haar vader een keer bij haar in bed kwam liggen, waarna ze werd misbruikt.
De rechtbank in Haarlem en later ook het hof in Den Haag vonden de getuigenissen van de vrouwen geloofwaardig en veroordeelden de man. Het Medisch Tuchtcollege behandelde de zaak ook en besloot dat de veroordeelde verkrachter zich een jaar lang geen arts mocht noemen. Dat betekent dat hij tijdelijk uit het BIG-register voor personeel in de gezondheidszorg werd geschrapt.
Waarom hij zo’n lage straf kreeg, wil het tuchtcollege niet zeggen. ,,We reageren nooit op individuele zaken,’’ zegt woordvoerder Henk Lutgert. ,,Normaal gesproken zijn we vrij streng voor zedendelinquenten. Alleen bekijkt de rechter zo’n zaak anders dan wij. Wij kijken ook naar eventuele vrijwilligheid van het seksuele contact.’’ Vrijwillig was het in elk geval niet voor de slachtoffers van de arts, zo stelden zij.
De psychiater die de huisarts voor de rechtszaak onderzocht, concludeerde dat de man lijdt aan structurele agressiestoornissen en dat er sprake is van een erotisch seksuele problematiek. Bovendien moest er rekening worden gehouden met ’afgeweerde homofiele tendenties’.
Dat deze arts nu een kliniek voor mannen met seksuele problemen runt, vindt hij zelf geen probleem. ,,Ik heb heel bewust gekozen voor de behandeling van mannen en niet van vrouwen, vanwege mijn verleden. Overigens ontken ik schuldig te zijn geweest aan verkrachting. Ik ben er door die vrouwen ingeluisd,’’ aldus de arts tegenover het AD. ,,Ik vind het niet meer dan logisch dat ik nog mag werken als arts.’’
Als hij een VOG had moeten laten zien voor hij zich weer in het BIG-register kon laten inschrijven, had hij afscheid moeten nemen van de medische wereld. In het onderwijs kan een ooit veroordeelde leraar nooit meer werken op een school, omdat een VOG verplicht is.
Volgens Reclassering Nederland moet dit ook in de zorg. ,,We weten dat je zedendelinquenten niet weer in een situatie moet neerzetten waar ze opnieuw in de fout kunnen gaan,’’ zegt directeur Sjef van Gennip. ,,Dat is de kat op het spek binden. Zo’n VOG zou zeker in de medische wereld, waar je als patiënt kwetsbaar bent, standaard moeten zijn. Als het niet verplicht is, moeten de werkgevers - zoals de ziekenhuizen - er toch naar vragen.’’
De veroordeelde arts wil het verleden laten rusten en gewoon zijn werk doen. ,,Dat ik zo’n rechtszaak heb gehad, doet niets af aan mijn kennis.’’
Veroordeelde arts of verpleger raakt zelden lang zijn bevoegdheid kwijt
Een arts of verpleger die is veroordeeld voor een zedenmisdrijf, is zelden lang zijn bevoegdheid kwijt. Het Medisch Tuchtcollege kan iemand uit het BIG-register (voor personeel in de gezondheidszorg) schrappen. Dat gebeurt echter niet vaak en bovendien komen niet alle zedenzaken bij het tuchtcollege terecht.
Uit een rondgang van deze krant langs zorginstellingen blijkt dat ze meestal geen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) vragen, omdat ze simpelweg blind varen op het BIG-register. Het is de instellingen niet bekend dat zedendelinquenten daar nog in kunnen staan. Ook denken personeelsafdelingen dat uit privacy-overwegingen geen VOG mag worden opgevraagd. Uitzondering is het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht dat wel een VOG van werknemers wil.
TOT NU TOE
2002: Een huisarts in Rijswijk krijgt een half jaar cel voor het misbruiken van tien kinderen in de leeftijd van 1,5 tot 11 jaar oud.Hij was in 1985 ook al eens veroordeeld.
2002: De rechter acht arts Jur V. schuldig aan verkrachting en ontucht. Na het misbruik was hij aan de slag gegaan als forensisch arts bij de GGD, waar men niets van zijn verleden wist. Ze ontsloegen hem toen dat duidelijk werd.
2007: De 30-jarige verpleegkundige Sybren de J. wordt ontslagen in het Ziekenhuis Lievensberg in Bergen op Zoom wegens seksuele intimidatie. De J. gaat daarna aan de slag als uitzendkracht in het Van Weel-Bethesda Ziekenhuis in Dirksland.
--------------------------------------------------------------------------------------
|