Ab Klink (1958, CDA)
Demissionair minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport,
Postbus 20350,
2500 EJ Den Haag
|
![]() |

Alle cliënten in de zorg krijgen het recht om informatie over bijvoorbeeld wachttijden en kwaliteit van de zorg op te vragen bij zorgaanbieders. Hierdoor krijgen cliënten de beschikking over begrijpelijke, betrouwbare en te vergelijken informatie. Dit maakt de keuze voor cliënten in de zorg gemakkelijker en maakt dat zorgaanbieders zich meer richten op kwaliteit. Het informatierecht is een van de maatregelen waarmee het kabinet de positie van de cliënt in de zorg wil versterken. De ministerraad heeft hiermee ingestemd op voorstel van minister Klink en staatssecretaris Bussemaker van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens minister Hirsch Ballin van Justitie.
De cliënt moet goede zorg krijgen, die past bij wat hij of zij wil en bovendien moet hij of zij weten waar die zorg te vinden is. De cliënt moet er op kunnen vertrouwen dat kwaliteit en veiligheid als hoogste prioriteit worden beschouwd. Daarom heeft het kabinet zeven rechten geformuleerd:
het recht op beschikbare en bereikbare zorg
het recht op keuze en keuze-informatie
het recht op kwaliteit en veiligheid
het recht op informatie, toestemming, dossiervorming en privacy
het recht op afstemming tussen zorgverleners
het recht op een effectieve, laagdrempelige klacht- en geschillenbehandeling
het recht op medezeggenschap en goed bestuur.
De rechten zijn uitgewerkt in het programma 'Zeven rechten voor de cliënt in de zorg: investeren in de zorgrelatie' waarin het kabinet samenwerkt met cliëntenorganisaties, zorgaanbieders en verzekeraars.
Het vastleggen van cliëntenrechten in wetgeving is een van de belangrijkste onderdelen van het programma. Per recht zijn concrete maatregelen geformuleerd, waaronder:
Het kabinet vraagt eind dit jaar advies aan de Raad van State over een wetsvoorstel waarin de rechten in onderlinge samenhang worden vastgelegd.
Bron: www.regering.nl
|
|
(advertentie) U kunt hier bestellen.
De Inspectie voor de gezondheidszorg wijst erop dat geneesmiddelen gevaarlijke stoffen zijn en dat geneesmiddelen, welke via internet worden besteld gezondheidsschade kunnen toebrengen
Klink lijkt anders dan-ie is
Bron NRC Handelsblad 15 november 2007
Antoinette Reerink
Minister Klink is voor-zichtig met marktwerking in de zorg. Toch breekt hij niet met zijn voorganger. Deze week verdedigt hij zijn begroting in de Kamer.
Minister Klink en zijn voorganger op Volksgezondheid Hoogervorst lijken elkaars tegenpolen. De christen-democraat Klink lijkt een bedachtzame wetenschapper, de liberale Hoogervorst is altijd vergeleken met Napoleon. Zoals wel vaker met tegenpolen, passen de twee eigenlijk heel goed bij elkaar. Klink gaat verder op de door zijn voorganger ingeslagen weg, maar in een lager tempo.
Deze week verdedigt Klink zijn eerste begroting in de Tweede Kamer. Na het nieuwe ziektekostenstelsel van Hoogervorst predikt Klink behoedzaamheid. Het kenmerkt deze intellectueel, die wat minder fanatiek is dan Hoogervorst. Het past ook bij een nieuwe periode. Het stof van de stelselwijziging is neergedaald en verzekeraars concurreren flink met elkaar. Nu is het aan de zorgverleners om meer te gaan ondernemen, bijvoorbeeld door risicodragend te investeren in vastgoed.
Klink benadert de zorgaanbieders voorzichtig en kiest voor een langzame uitbreiding van marktwerking. Nu mogen ziekenhuizen met verzekeraars onderhandelen over de prijzen van 10 procent van alle zorg. Volgend jaar wordt dat 20 procent en in 2009 mogelijk 30 of 40 procent. Klink zei vandaag dat ziekenhuizen en artsen dan wel de kwaliteit van zorgverlening inzichtelijk moeten maken. Zonder die transparantie zal er alleen maar concurrentie zijn op prijs en niet op kwaliteit. Dat wil ik niet.
In 2009 krijgen ziekenhuizen ook te maken met een prijsplafond. Daar is kritiek op. Kamerlid Schippers (VVD) sprak gisteren van Oostblokpraktijken. Maar Klink vindt dat de sector niet aan volledige liberalisering toe is. Verzekeraars zijn nog niet in staat gebleken zo slim zorg in te kopen dat het tot goedkopere en betere zorg voor patiënten leidt.
Ondanks het verschil in karakter en politieke kleur tussen Hoogervorst en Klink is er geen trendbreuk. Klink gaat verder op de ingeslagen weg en probeert mensen mee te krijgen, zegt Iris van Bennekom, directeur van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie desgevraagd. Hij zal geen veldslag aangaan zoals zijn voorganger.
Wie zich de uiterst liberale verkiezingscampagne van het CDA herinnert op het gebied van de zorg, valt het op dat de christen-democraten in korte tijd veel gematigder zijn geworden. De coalitiepartners PvdA en ChristenUnie zullen daar zeker invloed op hebben gehad.
Klink is voorzichtig is met marktwerking, maar voortvarend met preventie. Hij pakt het drankgebruik onder jongeren aan, kondigt een rookverbod af in de horeca en verbiedt verse paddos. Klink onderzoekt ook de opties van een vettaks - belasting op vet eten zou de toename van overgewicht moeten remmen. Het is nu wat meer het opgeheven vingertje, zegt René Goudriaan van het onderzoeksbureau APE.
Het opgeheven vingertje van dit kabinet is ook zichtbaar op ethisch gebied. Staatssecretaris Bussemaker (PvdA) hecht zelf sterk aan de autonomie van de vrouw - die uiteindelijk zelf beslist over abortus - maar zij heeft ook rekening te houden met het regeerakkoord. Daarin is de hand van de ChristenUnie zichtbaar. Die partij kreeg de toezegging dat er maatregelen komen die gericht zijn op het bieden van alternatieven voor abortus. Dat betekent volgens de christelijke fracties dat niet langer de abortushulpverlening bij ongewenste zwangerschap centraal staat, maar de hulpverlening aan ongewenst zwangere vrouwen. Deze vrouwen moet worden gewezen op de alternatieven voor abortus: het kind toch zelf opvoeden of eventueel afstaan.
Gisteren, tijdens het begrotingsdebat, was adoptie het enige onderwerp waarover de gemoederen hoog opliepen. Kamerlid Schermers (CDA) zei dat het niet altijd aan de vrouw is om te bepalen of de noodsituatie waarin zij zegt te verkeren een abortus rechtvaardigt. Een vrouw die een abortus wil omdat haar kind een hazelip heeft, moet door een arts worden tegengehouden, vindt zij.
Fracties die het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen als een verworvenheid zien, zoals D66, GroenLinks en VVD, kwamen onmiddellijk in het geweer. Volgens hen mag de vrouw zelf bepalen of zij in nood verkeert. Schermers probeerde de ophef te dempen. Ze had bedoeld dat vrouwen niet in paniek moeten handelen, maar zich eerst van de alternatieven voor abortus moeten vergewissen.
Senator Tineke Slagter (SP) volgt de stappen van dit kabinet op ethisch gebied met grote belangstelling. Ze zegt over het beleid van Klink: Het is soms heel moraliserend. Maar verder is er niet zo veel veranderd. Klink oogt als een heel ander persoon dan Hoogervorst, zegt zij, maar wat hij doet, ligt in lijn met wat zijn voorganger voorstelde. Het lijkt wel of er op het departement een jas hing die Hoogervorst heeft uitgedaan en die Klink heeft aangetrokken. Wij hadden op een ander geluid gehoopt.
Gemoederen in Tweede Kamer lopen hoog op als het over abortus gaat
Klink voor zorg over de grens
In een brief aan de Tweede Kamer stelt de minister dat de Zorgverzekeringswet al een goed kader biedt voor aanspraken op zorg in het buitenland.
Over aanspraak op AWBZ-zorg in het buitenland krijgt de Kamer binnenkort duidelijkheid.
Voorwaarden
Als voorwaarden waarover duidelijkheid moet komen noemt Klink in zijn brief onder andere dat burgers moeten weten wanneer ze recht hebben op vergoeding van een behandeling in het buitenland.
Europees raamwerk
De EU komt in het najaar met een voorstel voor een Europees raamwerk voor grensoverschrijdende zorg. Een belangrijke vraag voor de minister hierbij is hoe kwaliteit en solidariteit intact kunnen blijven in een dynamisch Europees systeem
Klink: richtlijnen kijkoperaties noodzakelijk
Bron(nen): Ministerie van VWS, 22 november 2007
Minister Klink vindt dat nieuwe technieken in de zorg alleen welkom zijn als die voor de patiënten veilig zijn en een meerwaarde hebben boven bestaande technieken.
Ook moet de kwaliteit gewaarborgd zijn. Daar moeten dringend richtlijnen voor komen.
Dit staat in de brief die de minister vandaag naar de Tweede Kamer stuurt. Hij reageert hiermee op het rapport ‘Risico’s minimaal invasieve chirurgie onderschat. Kwaliteitsysteem voor laparoscopische operaties ontbreekt’ van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).
Minister Klink sluit zich aan bij de bevindingen van de IGZ. ‘De constateringen van de IGZ zijn niet mis te verstaan. Ik stel vast dat de aanbevelingen van de IGZ geheel conform de ernst van de constateringen zijn’, aldus de minister. Hij is het eens met de inspectie dat het noodzakelijk is dat instellingen die kijkoperaties doen, op zeer korte termijn een risico-inventarisatie moeten maken. Wel is het duidelijk dat er grote verschillen zijn tussen ziekenhuizen die met name samenhangen met het aantal ingrepen dat chirurgen verrichten. Met de risico-inventarisatie kan de IGZ het toezicht en de handhaving op de korte termijn vormgeven.
De IGZ constateert in het rapport dat de veiligheid van patiënten die een kijkoperatie ondergaan niet of onvoldoende wordt gewaarborgd. Daarom moeten er minimale eisen komen voor de kwaliteit en het onderhoud van de apparatuur. Dit geldt ook voor het werken met de apparatuur. De nieuwe richtlijnen moeten voldoende garanties bieden voor veilige en kwalitatief hoogwaardige zorg. Dit is ook het uitgangspunt van de Kwaliteitswet Zorginstellingen die instellingen verplicht veilige zorg te bieden.
Op dit moment heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) als eerste beroepsgroep richtlijnen ontwikkeld voor de introductie van nieuwe technologieën. Het is volgens de minister dringend gewenst dat alle andere beroepsgroepen dit initiatief volgen.
Nederlandse Gezondheidszorg in Europees verband
![]() Health and Social Exclusion
Social exclusion is a term used to describe a situation in which a person (or a group of people), resident in a society is excluded from the key activities of the society, and is prevented from participation by factors beyond his or her control. Poverty is associated with most forms of social exclusion.
Most often, social exclusion can happen when a person is faced with problems like poor health, unemployment, inadequate housing, crime or discrimination. The process of overcoming such deprivation is referred to as social inclusion.
Health, poverty and social exclusion are strongly interrelated concepts that are best addressed through an integrated approach to improve quality of life and the promotion of social inclusion. As put forward by the European Commission, the objective of fighting poverty and social exclusion should be mainstreamed into sectoral policies, such as health policy, at national and community level.
However, the collaboration between the public health sector and the social sector is not as beneficial as it can be in many Member States. Improved access to health services and the use of health promotion strategies and methodologies will positively contribute to the social inclusion process.
EuroHealthnet
EuroHealthNet is an organisation that aims to contribute to a healthier Europe with greater equity in health between and within European countries.
This is achieved by networking and cooperation among relevant and publicly accountable national, regional and local agencies in EU member states, in states seeking EU membership and in the European Economic Area.
EuroHealthNet has no profit making aims and seeks funding from a range of surces and donors only to carry out its objectives. All partners and members are asked to be transparent concerning their interests.
EuroHealthnet is the network of health promotion and public health agencies in Europe. Our aim is to improve the health of European citizens by striving for a healthier Europe between and within countries. We achieve this by coordinating the work of 31 national and regional agencies in Europe thereby constituting a valuable platform for information, advice, policy and advocacy on health issues at EU level.
17 Partners from the EC co-funded Closing the Gap project organised national seminars presenting the situation in their country regarding health inequalities and strategies for action to tackle them. Presentations and outcomes of the national events can be found on www.health-inequalities.eu.
Health Organizations in the Netherlands
Netherlands Institute for Health Promotion and Disease Prevention http://www.nigz.nl
NIGZ develops programmes in support of healthy behaviour and healthy environments. The institute especially assists local authorities, local health promoting institutions and companies in developing, implementing and assessing health policies. Practical support is provided to health professionals through information, training, educational methodologies and materials, counselling and coaching. NIGZ is in its work inspired by the Ottawa Charter for Health Promotion, in which health promotion has been described as "the process of enabling people to increase control over, and to improve, their health".
The NIGZ is member of the International Union for Health Promotion and Education (IUHPE) and member of EuroHealthNet.
FOCUS is the Dutch portal for health promotion professionals offering an up-to-date overview of activities (project, tools, websites, publications etc) www.nigz.nl/focus
TRIMBOS Institute http://www.trimbos.nl/ click on English
Dutch national knowledge institute for mental health care, addiction care and social work. They monitor these fields and keep policy makers and politicians informed about the mental health of the Dutch population. Research is conducted into the organization, accessibility, quality and effectiveness of prevention and care facilities. In addition, new prevention, treatment and care organization methods, guidelines and programmes are being developed. Furthermore, Trimbos Institute provides information on psychological problems and drugs
STIVORO for a smoke-free future http://www.stivoro.nl Site text is Dutch only
STIVORO’s aim is to improve public health in the Netherlands by reducing smoking providing a series of proven behaviour-related forms of support. Special focus on youth with campaigns such as The smoke-free school; The Antidote campaign “Actie Tegengif”, the Dutch version of a European project; Lessons about smoking; Campaign: “Now we know” which is the sequel to the high-profile campaign “…But I don’t smoke”.
For adults there have been a number of campaigns offering support for quitting smoking and paying attention to passive smoking at the workplace and recently “Smoking? Not in front of the children!” Research forms an important basis for STIVORO’s activities.
National Institute for Public Health and the Environment RIVM http://www.rivm.nl/en/
RIVM's knowledge and expertise in the fields of health, nutrition and environmental protection are used primarily for advising the Dutch government. With our research, monitoring, modelling and risk assessment results, we act to underpin policy. We also share this knowledge and expertise with national and regional governments, along with supranational bodies around the world. Although a good portion of our results are in Dutch, a number of topics have been taken up as special thematic internet sites in English.
Statistics Netherlands (CBS) http://www.cbs.nl/en-GB
Responsible for collecting, processing and publishing statistics to be used in practice, by policymakers and for scientific research. In addition to its responsibility for (official) national statistics, Statistics Netherlands also has the task of producing European (community) statistics
Consumer Safety Institute (CSI) http://www.veiligheid.nl/ click on International
Organisation with a mission to improve the safety of consumers aiming to reduce the large number of serious injuries and the many deaths due to accidents at home at national and European level. Together with other European partner organisations, the CSI is playing a leading role in the European Association for Injury Prevention and Safety Promotion (EuroSafe). The Consumer Safety Institute is a WHO (World Health Organization) Collaborating Centre for injury surveillance and has played a leading role in the development of the ICECI (International Classification of External Causes of Injuries).
National Association of Municipal Health Services (GGD Nederland)
www.ggd.nl Site text in Dutch only.
Umbrella organisation of Dutch Municipal Health Authorities
WORDEN ERVAREN DOOR MENSEN MET PSYCHISCHE PROBLEMEN:
EEN EUROPEES OVERZICHT
Katholieke Universiteit Leuven (B), LUCAS, Internationale Projecten, Harasssment Beleidsaanbevelingen
Inleiding
Het project ‘Pesten en Discriminatie’ wordt uitgevoerd in het kader van het Gemeenschappelijk Actieprogramma ter bestrijding van discriminatie (2001-2006). Het programma wordt financieel mogelijk gemaakt door de Europese Commissie, Afdeling Werk en Sociale Zaken.
De algemene doelstelling van het project is tweeledig; enerzijds het bevorderen van de
bewustwording dat mensen met een psychische handicap in de gezondheidszorg met discriminatie te maken krijgen en anderzijds het bevorderen van strategieën/manieren om deze discriminatie te bestrijden.
De aanbevelingen zijn gebaseerd op opvattingen van de nationale partners in het project en het Europese Netwerk van (ex-)cliënten van de Psychiatrie. Als basis dienen de conclusies van de focusgroepen die in het eerste jaar van het project werden georganiseerd met (ex-)cliënten van de psychiatrie en hulpverleners uit de gezondheidszorg.
Personen met psychische problemen en hun mantelzorgers, krijgen te maken met pesten/onheuse bejegening op verschillende levensgebieden. Dit vermindert de kans op herstel en integratie in de samenleving. Voordat eventuele maatregelen worden geformuleerd, dient benadrukt te worden dat het belangrijk is (ex-)cliënten te betrekken bij het verwoorden en in praktijk brengen van deze maatregelen. De kennis en deskundigheid die zij kunnen toevoegen, is uniek en van enorme waarde. Bestrijding van discriminatie en pesten dient daarom uitgewerkt te worden door deskundigen en ervaringsdeskundigen. ‘Niet over ons zonder ons’, het motto van het Europees Jaar van Mensen met een Handicap (2003) dient in praktijk gebracht te worden. Wij stellen voor dat er strategieën worden ontwikkeld die er op gericht zijn de houding en het gedrag van het algemene publiek en in het bijzonder van de mensen die in de gezondheidszorg werken, te veranderen. Een duidelijke omschrijving van goede praktijkvoorbeelden en ijkpunten voor standaards in de zorg en de wetgeving met betrekking tot gelijke
behandeling dient ontwikkeld te worden. Ze helpt klachtencommissies en biedt mogelijkheden om wanpraktijken aan te kaarten. Voldoende financiering, betrokkenheid van bestaande organisaties en ondersteuning van beleidsmakers zijn belangrijke voorwaarden voor het realiseren van deze aanbevelingen.
Beleidsaanbevelingen
1. Beeldvorming
Er is behoefte aan het opzetten van programma’s om de attitude van het algemene publiek ten opzichte van personen met psychische problemen, te verbeteren.
In de toekomst dienen ook programma’s te worden opgezet voor journalisten en scholen om de situatie in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie te veranderen.
Het is belangrijk dat dergelijke programma’s ontwikkeld worden door groepen waarin hulpverleners uit de gezondheidszorg, (ex-)cliënten en mantelzorgers vertegenwoordigd zijn. Deze betrokkenen moeten in overleg treden om samen te kijken wat er kan gedaan worden aan pesten en discriminatie.
2. Versterken van de cliëntenbeweging
De cliëntenbeweging dient versterkt te worden.
Hun taak is om actie te voeren en de besluitvorming op alle niveaus te beïnvloeden, met name in hulverlenersorganisaties en in politieke organisaties.
De deelname van ‘professional consumers’ of (ex-)cliënten die in staat zijn om het eigen individuele perspectief te overstijgen, aan het ontwikkelen en in praktijk brengen van kwaliteitsstandaards en onderzoeksprojecten is essentieel.
Er moet geïnvesteerd worden in:
- (gratis) trainingsprogramma’s voor (ex-)cliënten zodat zij zichzelf kunnen verweren tegen discriminatie. Ervaringsdeskundigen dienen opgeleid te worden om zelf als trainer aan de slag te gaan.
- De vertegenwoordiging van (ex-)cliënten in crisiscentra, centra voor ondersteunende
gesprekken en advies, onderzoeksprojecten, congressen, netwerken en internationale
uitwisseling van organisaties die optreden als vertegenwoordiger van (ex-)cliënten.
- Het ondersteunen van initiatieven voor begeleiding door lotgenoten, (regionale) zelfhulpcentra en ontmoetingsplaatsen.
3. Bewustwording en training van beroepskrachten in welzijns- en
gezondheidszorg
In veel gevallen wordt discriminatie niet opgemerkt of niet ter discussie gesteld. De bewustwording bij
hulpverleners van de ervaringen van discriminatie en pesten die (ex-) cliënten hebben is van uitzonderlijk belang aangezien deze hulpverleners van de (geestelijke) gezondheidszorg rechtstreeks betrokken zijn bij het herstel van mensen met psychische problematiek. In de opleiding van hulpverleners in de gezondheidszorg dienen, vanaf het begin, de ervaringen en het perspectief van de cliënt aan bod te komen.
De basisopleiding van hulpverleners in de gezondheidszorg dient meer aandacht te besteden aan het verwerven van communicatieve vaardigheden om de noden en wensen van de cliënt centraal te stellen. Dit om te komen tot vraaggestuurde zorg.
Opleidingsprogramma’s dienen zich zowel te richten op het vergroten van kennis en het verwerven van vaardigheden als op de verandering van attitudes.
Hulpverleners dienen:
- Verantwoordelijkheid te nemen om discriminatie en pesten ter discussie te stellen en aan
het licht te brengen.
- Respect voor diversiteit op te brengen.
- Respect te hebben voor de perspectieven van (ex-)cliënten.
- Te zien dat de cliënt meer is dan de diagnose.
- De grote afstand waarmee zij hun patiënten nog steeds benaderen te verkleinen.
Preventie is net zo belangrijk als training. Bij de selectie van hulpverleners zou hun houding ten aanzien van de doelgroep bekeken moeten worden.
(Ex-)cliënten zouden bij sollicitatieprocedures betrokken moeten zijn.
4. Kwaliteitsstandaarden van zorg
De landelijke organisatie van de zorg is bepalend in de strijd tegen discriminatie en pesten.
Verwijssystemen dienen zo te worden opgezet dat er geen ruimte is voor discriminatie en pesten. Bijvoorbeeld, een diagnose kan enkel worden doorgegeven aan anderen met toestemming van de cliënt. Elektronische zorgdossiers dienen zo beschermd te worden dat beroepskrachten uitsluitend die informatie kunnen zien die zij werkelijk nodig hebben. Informatie geven aan de cliënt is cruciaal.
Alleen cliënten die hun dossiers kennen, zijn in staat om toestemming te geven.
Dossiers van mensen met een psychiatrische diagnose dienen niet anders behandeld te worden dan dossiers van mensen met een somatische diagnose. Gebruik maken van een dossier zonder toestemming is uitsluitend mogelijk in geval van ernstig gevaar voor de betrokkene zelf of voor anderen, als de mogelijkheid om de eigen wil te uiten tijdelijk beperkt is.
Protocollen voor spoeddiensten zoals de EHBO, dienen ervoor te zorgen dat patiënten de
noodzakelijke lichamelijke zorgen krijgen. De psychiatrische problematiek mag geen invloed hebben op de medische handelingen.
5. Wetgeving en discriminatie en klachtencommissies
Wetten met betrekking tot gelijke behandeling moeten aangenomen worden en financiering dient te worden toegekend om deze wetten in praktijk te brengen.
De wetten dienen zich toe te spitsen op de bescherming van de menselijke waardigheid, het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het recht op respect.
Dit kan gebeuren door middel van een wettelijke bescherming van positieve wilsverklaringen (de zogeheten zelfbindingscontracten). Er moeten klachtencommissies komen die de bevoegdheid en de mogelijkheden krijgen om sancties op te leggen aan instellingen en om de besluitvorming te beïnvloeden.
Zij dienen:
- nationaal, regionaal en plaatselijk georganiseerd te worden;
- ingebed te zijn in een wettelijk kader;
- goed en toegankelijk te zijn (op verzoek anoniem) en
- onafhankelijk van medische en psychiatrische instellingen te functioneren (ten einde de
vertrouwelijkheid en de ondersteuning van cliënten te garanderen, zoals deze worden genoemd in de anti-discriminatiewetgeving van de Europese Unie).
Het is wenselijk om controle te laten uitoefenen door (ex-)cliënten. De mogelijkheid om professioneel advies in te winnen wanneer daar behoefte aan is moet, evenals de financiële middelen, aanwezig zijn.
6. Betrokkenheid van beleidsmakers
De gezondheidsstatistieken van een land zijn de maatstaf van het welzijn en de geestelijke gezondheid van de bevolking.
Het is belangrijk dat beleidsmakers zich bewust worden van het grote tekort aan financiële middelen op het gebied van de gezondheidszorg in het algemeen en in de geestelijke gezondheidszorg in het bijzonder.
Dit geldgebrek leidt soms tot een minder goede behandeling en zorg, waardoor herstel wordt belemmerd en patiënten chronisch ziek worden. Dit leidt tot maatschappelijke uitsluiting, hetgeen ervoor zorgt dat patiënten geen gelijke kansen krijgen. Hierdoor ontstaat dan weer een verhoogde kans op marginalisering, handicaps, lichamelijke en psychische aandoeningen. Mensen worden arbeidsongeschikt. De kosten van dit alles zijn extreem hoog. Meer middelen voor geestelijke gezondheidszorg, en dan speciaal voor preventie en vroegtijdige interventie, is van essentieel belang.
De gedetailleerde uitwerking van voor het land geschikte plannen op het gebied van de GGZ, die op
een reeële manier rekening houden met de handicap, moeten op alle niveau's ondersteund worden.
Mensen met een psychische handicap, hun naasten en hun belangenorganisaties, hebben het recht op volledige deelname aan de samenleving. Zij zijn een onmisbaar deel van die samenleving.
Conclusies
Het is nodig om te werken aan attitudeverandering van het algemene publiek, van hulpverleners in de gezondheidszorg en in het bijzonder in de geestelijke gezondheidszorg. Bewustwording dient niet alleen om het besef te vergroten dat mensen met psychische problemen en hun omgeving dagelijks te maken hebben met pesterijen en discriminatie, het moet ook leiden tot meer middelen om de kwaliteit van zorg
te verbeteren. Naast meer financiële middelen zijn er structurele en organisatorische veranderingen nodig die de cliëntenbeweging in de psychiatrie versterken. Ook het vaststellen van kwaliteitseisen van zorg, het aannemen van wetten en de betrokkenheid van politici is van belang om dit mogelijk te
maken.
WORDEN ERVAREN DOOR MENSEN MET PSYCHISCHE PROBLEMEN:
EEN EUROPEES OVERZICHT
Verklaring
Ondergetekenden drukken hun grote bezorgdheid uit over:
1. De voortdurende discriminatie en pesterijen waarmee mensen met een psychische
handicap of ziekte te maken krijgen en de gevolgen die dit heeft op hun leven. (hun gezondheid, psychische gezondheid, wettelijke en sociale positie)
2. Het gebrek aan kennis en het negatieve beeld dat mensen in de samenleving hebben over mensen met psychische problemen.
3. De blijvende discriminatie binnen de zorg door werkenden in de gezondheidszorg en de sociale sector, die nota bene zelf vaak betrokken zijn bij de rehabilitatie van mensen met psychische problemen.
4. De voortduring van onbewuste discriminatie die nog steeds voorkomt bij hulpverleners in de gezondheidszorg.
Daarom doen wij een beroep op beleidsmakers op alle niveau’s, (Europees, nationaal, regionaal, lokaal) om te zorgen voor adequate financiering, organisatorische investeringen en politieke steun om:
-
bewustwording te vergroten en programma’s op te starten die werken aan de beeldvorming voor het brede publiek, journalisten, onderwijsinstellingen, enz.
-
empowerment (zelfredzaamheid, assertiviteit) te bevorderen van (ex-)cliënten van de psychiatrie, zodat ze zichzelf kunnen beschermen tegen discriminatie en om hen te scholen om zelf trainer te worden,
-
bewustwording te vergroten bij werkenden in de gezondheidszorg om hun vaardigheden te vergroten en hun kennis en houding ten opzichte van (ex-)cliënten te verbeteren,
-
de kwaliteitsstandaards van zorg en rehabilitatie te verhogen,
-
te zorgen voor een up-to-date wetgeving op het gebied van antidiscriminatie, met de nadruk op mensenrechten die de waardigheid van de mensen met een psychische handicap garandeert.
Het motto van het Europese jaar van mensen met een handicap “Niets over ons, zonder ons”, moet ook gelden voor mensen met psychische problemen.
Indien u deze Verklaring wil ondertekenen, kan u deze vinden op de Mental Health Europe website
www.mhe-sme.org. De Verklaring is beschikbaar in het Nederlands, het Engels, het Frans, het Duits en
het Spaans.
Met de steun van het Gemeenschappelijke Actieprogramme ter bestrijding van discriminatie.
Commentaar Meldpunt Medische Fout
De psycholoog Philip Zimbardo deed onderzoek om een antwoord te krijgen op de vraag waarom goede mensen duivelse daden doen. Hij laat zien dat studenten in beulen veranderden en hun medestudenten gruwelijk mishandelden. In een week tijd kan het hele verleden van een student worden uitgewist door de martelingen. Dit zelfde gebeurt in de psychiatrie: Verpleegkundigen en psychiaters hebben de mogelijkheid om zich als beulen gedragen en drijven daardoor de psychiatrische patienten de dood in door eenzame opsluiting en vernederingen. Dit kan doordat elk toezicht ontbreekt. De patient is gestigmatiseerd, waardoor hij geen sociaal netwerk meer heeft. De verpleegsters zorgen er voor dat de patient nog verder geisoleerd raakt, door aan de buitenwereld verkeerde diagnoses te vertellen. Niemand komt dan meer voor de patient op, zodat de verpleegkundigen en psychiaters vrij spel hebben. Zij kunnen bestelen, verkrachten, vernederen en de patient kan zich niet verweren. De rechter heeft de patient al monddood verklaard met de diagnoses van de psychiater en werkt zo mee aan de gruwelijke martelingen op de psychiaterische afdelingen. Een mantelzorger, welke het pesten door de hulpverleners in een vroeg stadium al signaleerde werd zelf slachtoffer van deze praktijken door dezelfde daders. Zij werd opgesloten, vernederd, maar gerechtelijke daarvoor toestemming ontbrak, waardoor de daders haar moesten vrijlaten. Zij had haar borsten moeten tonen, haar persoonlijke bezittingen moeten afgeven aan de verpleegsters, ze moest vragen over haar seksleven beantwoorden aan de psychiater in de isoleercel. Ze mocht met niemand contact opnemen en beslist niet met haar advocaat. Haar familie werd niet ingelicht. Verkeerde diagnoses werden rondgebazuind tijdens haar vrijheidsberoving. Het Medisch Tuchtcollege nam de hulpverleners in bescherming en besliste dat de klacht ongegrond was. Alles mag in de psychiatrie, ook hetgeen bij wet verboden is. De patient is onderworpen aan gruwelijke mishandelingen. Voor het geval de mantelzorger de vernederingen niet zou overleven, werd genoteerd dat zij suicidaal zou zijn en dat was dan meteen een reden voor de opsluiting. Zij is niet suicidaal.
Het experiment
Zimbardo is wellicht het meest bekend omwille van het experiment dat hij samen met 3 collega’s in 1971 uitvoerde in de kelders van de Universiteit van Stanford. Het toont de dramatische gevolgen van normale, gezonde studenten die in een namaakgevangenis werden gestopt. Het is een klassiek geworden voorbeeld van de kracht van de sociale situatie. Op dit experiment is de Duitse film 'Das Experiment' gebaseerd
Een groep van 24 doorsnee Amerikaanse jongens uit de middenklasse, die aan het begin van het experiment niet van elkaar verschilden, zouden twee weken lang bewaker of gevangene zijn in een namaakgevangenis. Het toeval bepaalde de rollenverdeling. Twaalf jongens mochten een uniform aandoen en kregen als opdracht: ‘zorg voor orde maar gebruik geen geweld’. De twaalf andere kregen een gevangenisplunje aan. Zimbardo en zijn collega's wilden weten wat er in zo'n sociale situatie kon gebeuren. En dat was tamelijk gruwelijk.
Straffen
Al snel gebruikten de 'bewakers' 'opdrukken met een voet op de rug’ als straf. Opstandelingen werden met de brandblusser neergeslagen en een andere gebruikte straf was het zich publiekelijk laten uitkleden. Eenzame opsluiting kon ook. De agressie van de bewakers werd sterker naarmate het onderzoek vorderde.
Sommige bewakers hadden er lol in om de gevangenen zeer wreed te behandelen, als beesten. Niemand van de deelnemers zei tijdens het experiment: "Zo kan het niet meer verder." Op een bepaald moment gebeurden de mishandelingen ‘s nachts omdat ze dachten dat de onderzoekers toch niet keken. De meerderheid was niet langer in staat een onderscheid te maken tussen hun rollen en hun eigen ik. In bijna elk onderdeel van hun gedrag, gedachten en gevoelens waren er veranderingen te zien.
De onderzoekers trapten in eigen val
Niet enkel de proefpersonen gingen tot het uiterste, ook de onderzoekers trapten in hun eigen val. Ze hadden buitenstaanders nodig om in te zien wat ze aan het doen waren. Toen een collega Zimbardo een technische vraag stelde, reageerde hij niet als wetenschapper, wel als gevangenisdirecteur. Wanneer Christina, een nieuwe collega, boos werd over het feit dat de 'gevangenen' met een zak over het hoofd en aan de enkels geketend naar de wc werden geleid, besefte Zimbardo dat er iets fout ging. Na zes van de veertien voorziene dagen werd het experiment stilgelegd.
Zimbardo trouwde met zijn assistente en werd voorzitter van de American Psychological
Association, de machtigste organisatie op het gebied van de psychologie ter wereld.
Het onderzoek heeft er toe geleid dat het beleid in gevangenissen en in de psychiatrische voorzieningen nog eens kritisch werd bekeken. Hier en daar heeft dit tot verbeteringen geleid. Maar in het algemeen is de kennis uit dit onderzoek vooral nuttig om te weten hoe je mensen klein kunt krijgen, als je elke neiging tot verzet uit ze wilt wringen, als je ze in slaafse, gedehumaniseerde robots wilt veranderen.
Erasmus MC onderzoekt dwangopnamen
4 september 2007
Nog nooit zijn in Nederland zoveel psychiatrisch patiënten gedwongen opgenomen als in 2006. Het aantal dwangopnamen is in de periode 2000 - 2006 met ruim veertig procent gestegen van 7.2 naar 10.4 per 10.000 inwoners.
Ook het aantal contacten met de ggz in verband met een psychiatrische crisis is gestegen. In de periode 2001-2004 met meer dan honderd procent van 46 tot 93 crisiscontacten per 10.000 inwoners. Er bestaan grote regionale en internationale verschillen in deze stijgingen.
Zowel over de oorzaken als over de effectiviteit van deze 'epidemie van dwangopnamen en crisiscontacten' is nog te weinig bekend.
Onderzoek
Niels Mulder pleit voor meer onderzoek naar deze stijgingen in zijn oratie 'Psychiatrie voor mensen die er niet om vragen', waarmee hij op vrijdag 14 september aanstaande de leerstoel 'Openbare Geestelijke Gezondheidszorg' in het Erasmus MC aanvaardt.
Nieuwe klinieken
Het is volgens Mulder de vraag of de individuele patiënt dit een goede ontwikkeling vindt. Daarnaast zijn aan de toename van het aantal dwangopnamen aanzienlijke maatschappelijke kosten verbonden. Als de stijging van het aantal dwangopnamen doorzet komt het einde van de capaciteit van de Geestelijke Gezondheidszorg snel in zicht en zullen er over tien jaar zelfs klinieken bijgebouwd moeten worden.
Commentaar Meldpunt Medische Fout
Het lijkt er op dat Nederland verdeeld gaat worden in twee delen. Een deel met een hek en prikkeldraad er om heen en een ander deel. Dit gaat met enorme maatschappelijke kosten gepaard. De gelden voor ontwikkelingslanden kunnen in ons eigen land besteed gaan worden aan ontwikkelingswerk binnen de kampen met psychiatrische patienten.
Controle op "martelpraktijken" in Nederland
Tussen 4 en 15 juni 2007 inspecteert het Commitee for the Prevention of Torture (CPT) onaangekondigd een aantal Nederlandse detentie-inrichtingen. Dit verdragscomité van de Raad van Europa ziet hiermee toe op de naleving van het verdrag tegen marteling.
"Het comité heeft verregaande bevoegdheden. Alle Europese instellingen waarvoor geldt dat mensen er gedwongen verblijven, mag ze volledig en onaangekondigd inspecteren", zegt Clemens Huitink, stafmedewerker internationale aangelegenheden van GGZ Nederland. "Daaronder vallen politiebureaus, gevangenissen en psychiatrische ziekenhuizen. De inspecteurs hebben carte blanche. Geen directeur die ze kan weerhouden deuren te openen en gevangenen of patiënten uit te horen. Zelfs de overheid kan het comité nauwelijks stoppen."
Isoleercellen
De verwachting is dat het CPT zich bij de komende inspecties ook zal richten op het gebruik van de isoleercel in Nederlandse GGZ-instellingen (maar dat gebeurde niet).
In 2000 velde het comité een oordeel over de Duitse isoleercellen in psychiatrische ziekenhuizen en formuleerde een dwingend advies: "redecorate them". De Duitse isoleercel ontbrak het destijds namelijk aan elke vorm van inrichting; patiënten zagen zich zelfs gedwongen hun avondmaal op het toilet te nuttigen. In 2005 keerde het comité terug voor de tweede inspectie. In heel Duitsland was er geen isoleercel zonder eettafel meer te vinden.
Menswaardig
Het comité zelf benadrukt dat zij regeringen niet op de vingers wil tikken. Haar doel is slechts hen te helpen hun instellingen zo menswaardig mogelijk vorm te geven. Pas als na meerdere inspecties blijkt dat een regering haar advies in de wind slaat, brengt zij het advies in de openbaarheid. Huitink: "Juridisch is dat weliswaar niet bindend, maar de overheid zou het wel uit haar hoofd halen het advies niet op te volgen. Nederland zou in Europa niet bepaald een goede indruk maken."
Vijfjarige controles
De inspectie van Nederlandse GGZ-instellingen valt onder de gangbare vijfjarige controle van het comité, waarvan de laatste plaatsvond in 2002. Huitink: "Het inspectieteam controleert hierbij of de instelling zich aan de wet en internationale verdragen houdt. Daarna maakt ze een rapport op. Van de instelling wordt verwacht hierop een passende reactie te geven, al dan niet in de vorm van verbeterplannen. In Nederland is het gebruikelijk dat het rapport vervolgens gepubliceerd wordt."
Omdat de bezoeken onaangekondigd zijn, is het onbekend welke psychiatrische instellingen het comité de komende periode bezoekt.
Strasbourg, 20-06-2007
A delegation of the Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) of the Council of Europe carried out a visit to the Kingdom of the Netherlands from 4 to 14 June 2007. This was the CPT's fourth periodic visit to the Kingdom of the Netherlands, and it included visits to establishments in the Kingdom in Europe as well as in Aruba and in the Netherlands Antilles.
The visit to the Kingdom in Europe was carried out by the following members of the CPT:
- Andres LEHTMETS (Head of the Delegation) (Estonian)
- Haritini DIPLA (Greek)
- Marc NEVE (Belgian).
They were assisted by Marco LEIDEKKER, of the CPT's Secretariat, and by Jurgen VAN POECKE, Director of ‘De Grubbe’ Youth detention centre in Everberg, Belgium.
In the course of the visit, the CPT’s delegation met Guusje TER HORST, Minister of Interior, Ernst HIRSCH BALLIN, Minister of Justice, and Nebahat ALBAYRAK, State Secretary of Justice. The delegation also met with Alex BRENNINKMEIJER, National Ombudsman, and Peter VAN DER SANDE, deputy head of the National Agency for Correctional Institutions.
The Council of Europe's European Convention for the Prevention of Torture is a unique human rights treaty which seeks to prevent human rights violations in places of detention in over forty European states, by means of prison and other visits by its independent European Committee for the Prevention of torture. The Committee adopts detailed and often critical national reports on its visits, to which states may reply.
The HRLC (Human Rights Law Centre, the University of Nottingham) annually publishes the Yearbook of the European Convention on Torture. Volume 1 of the Yearbook covered 1989 to 1992. Subsequent volumes are annual in their coverage. Volumes have an average of 600 pages.
When can I apply to the European Court of Human Rights?
You may lodge an application with the Court if you consider that you have personally and directly been the victim of a violation of the rights and guarantees set out in the Convention or its Protocols. The violation must have been committed by one of the States bound by the Convention.
What rights are protected by the Convention and its Protocols?
The following rights, in particular, are protected :
What do the Convention and its Protocols prohibit?
The following, in particular, are prohibited :
How should I apply to the Court if I consider myself to be the victim of a violation of the Convention?
By sending a letter to the Court giving clear details of your complaint (in which case you will receive an application form3 which must be filled out) or by filling out an application form directly. The letter and/or application form should be sent to the following address :
The Registrar
European Court of Human Rights
Council of Europe
F-67075 Strasbourg Cedex
What are the main features of the proceedings?
What are the main stages in the process?
How long shall I have to wait?
What can I hope to obtain?
If the Court finds that there has been a violation, it may award you “just satisfaction”, a sum of money in compensation for certain forms of damage. The Court may also require the State concerned to refund the expenses you have incurred in presenting your case. If the Court finds that there has been no violation, you will not have to pay any additional costs (such as those incurred by the respondent State).
Applications to the Court should be sent by normal post or by fax
Address:
European Court of Human Rights
Council of Europe
67075 Strasbourg-Cedex
France
Tel: +33 (0)3 88 41 20 18
Fax: +33 (0)3 88 41 27 30
![]() Overheidsdocumenten
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Postbus 20350
2500 EJ DEN HAAG
Telefoon (070) 340 79 11
Fax (070) 340 78 34
Bezoekadres:
Parnassusplein 5
2511 VX DEN HAAG
Correspondentie uitsluitend
richten aan het postadres
met vermelding van de
datum en het kenmerk van
deze brief
Internetadres:
www.minvws.nl
De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA DEN HAAG
Ons kenmerk
Inlichtingen bij
Doorkiesnummer
Den Haag
MC-U-2786197 23 juli 2007
Onderwerp Bijlage(n) Uw brief
Voor een versterking van de positie van de individuele zorggebruiker zijn krachtige
vertegenwoordigende organisaties noodzakelijk. Sterke pati?nten-, gehandicapten en
ouderenorganisaties (pgo-organisaties) moeten in de nieuwe stelsels van zorg en
maatschappelijke ondersteuning volwaardige gesprekspartners kunnen zijn van
zorgverzekeraars, zorgaanbieders, overheden en andere maatschappelijke organisaties. De staatssecretaris en ik stellen structureel circa € 10 miljoen extra ter beschikking om de pgoorganisaties in staat te stellen zich gezamenlijk te ontwikkelen tot deze krachtige partij. Dit betekent een substantiele uitbreiding van middelen ten opzichte van de reeds bestaande structurele middelen. Wij zullen met een nieuwe subsidiesystematiek het totale subsidiebudget zo effectief mogelijk inzetten. Met een nieuwe subsidiesystematiek beogen wij aan te sluiten bij de diversiteit van het pgo-veld en organisaties tegelijkertijd te stimuleren tot samenwerking en regie bij individuele pgo-organisaties overstijgende vraagstukken.
In deze brief schets ik, mede namens de staatssecretaris van VWS, mijn visie op de
maatschappelijke rol en betekenis van pgo-organisaties en de hoofdlijnen van een
bijpassende subsidiesystematiek. Ik voldoe hiermee tevens aan de toezegging van mijn
voorganger van 28 augustus 2006 om de Regeling Functiefinanciering nog te bezien
1.
In deze brief ga ik achtereenvolgens in op:
- overleg met het veld;
- de maatschappelijke betekenis van pgo-organisaties;
- een sterkere rol voor pgo-organisaties;
- de hoofdlijn van de nieuwe subsidiesystematiek;
- basissubsidie en meerjarige programma’s;
- inhoudelijke regierol voor de koepels;
- andere organisaties en herverdelingseffecten;
- premiefinanciering;
- het Fonds PGO;
- het verdere tijdpad.
1 TK, 2005-2006, 29 214, nr. 17.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
2
Kenmerk
MC-U-2786197
Het is mijn intentie om de nieuwe subsidiesystematiek in overleg met het veld verder uit te werken. Ik zal daartoe dit najaar een vervolgbijeenkomst met pgo-organisaties beleggen.
Overleg met het veld
Op 25 mei 2007 is er een bijeenkomst geweest met vertegenwoordigers van pgoorganisaties ter voorbereiding van een nieuwe subsidiesystematiek. Tijdens deze
bijeenkomst zijn de hoofdlijnen van een nieuwe subsidiesystematiek geschetst en is de
aanwezige pgo-organisaties gevraagd om hun reactie. Deze bijeenkomst en andere
gesprekken met het veld hebben mij geholpen bij het ontwikkelen van de visie zoals
verwoord in deze brief. Ik ben onder de indruk van de inzet en betrokkenheid van deze
organisaties bij de problematiek van hun achterban. Door de diversiteit aan aandoeningen, ziekten en beperkingen is er binnen het pgo-veld zelf ook sprake van een grote diversiteit. Hieraan ontleent het pgo-veld een deel van zijn kracht. De pgo-organisaties wezen mij ook op de hoeveelheid activiteiten die door pgo-organisaties op een zeer kostenefficiente wijze worden uitgevoerd. Tegelijkertijd kwam bij de bijeenkomst ook duidelijk de noodzaak naar voren dat zij zich ontwikkelen tot een krachtige(r) partij naast andere partijen in de zorg en maatschappelijke ondersteuning. De pgo-organisaties hebben aangegeven hiervoor extra ondersteuning nodig te hebben.
De visie in deze brief, en hoe deze doorwerkt in de hoofdlijnen voor een nieuwe
systematiek, is ook besproken met de koepels NPCF, CG-raad en CSO.De maatschappelijke betekenis van pgo-organisaties
Een volwaardige maatschappelijke participatie is vaak een belangrijke grondslag voor geluk. Door ouderdom of door een beperking of ziekte kan het deelnemen aan de maatschappij moeilijker worden. Het is zeer ingrijpend als mensen - of iemand in hun naaste omgeving – geconfronteerd worden met dergelijke beperkingen. Mensen die dit overkomt, zoeken elkaar op. Uit deze maatschappelijke behoefte zijn patienten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties ontstaan.
De pgo-organisaties zijn toegesneden op de maat en problematiek van de verschillende
doelgroepen. Zij richten zich vaak breed op de belangen van hun leden. Dat belang omvat
allereerst het streven naar een zo volwaardig mogelijke deelname aan de maatschappij.
Daarnaast ondersteunen zij hun leden in een rol als ‘zorggebruiker’. De pgo-organisaties
staan dicht bij hun achterban, zij kennen de behoeften ervan en zij kunnen die achterban
goed ondersteunen.
Binnen deze organisaties worden ervaringen gedeeld (lotgenotencontact) en wordt
informatie gegeven over alle vraagstukken die men in de praktijk tegenkomt bij
maatschappelijke participatie en gezondheidsklachten (voorlichting). Pgo-organisaties dragen bij aan een volwaardige maatschappelijke participatie van mensen met een aandoening en/of beperking, veelal door inbreng van ervaringsdeskundigheid (belangenbehartiging). Zij zetten
zich daarbij vooral ook in voor de verbetering van kwaliteit van zorg en ondersteuning.
Wij zijn van mening dat pgo-organisaties een brede maatschappelijke functie hebben en niet alleen betekenis hebben voor groepen mensen met een beperking of aandoening. De kracht en kwaliteit van de samenleving wordt, zoals verwoord in het coalitieakkoord, bepaald door onderlinge betrokkenheid, die begint met meedoen: in een betaalde baan, in vrijwilligerswerk, in mantelzorg. Pgo-organisaties dragen hieraan bij. Door voorlichting en lotgenotencontact vergroten zij voor mensen met een beperking de mogelijkheid om (zoveel mogelijk) de regie te voeren over het eigen leven. Door belangenbehartiging dragen zij
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
3
Kenmerk
MC-U-2786197
bijvoorbeeld bij aan de totstandkoming van aangepaste werk- en opleidingsplekken en aan een betere toegankelijkheid van het openbaar vervoer. Betere mogelijkheden om te
participeren leiden tot minder uitsluiting en lagere maatschappelijke kosten.
Pgo-organisaties voorzien dus in een brede maatschappelijke behoefte en dragen bij aan het welbevinden van de mensen in Nederland. Daarom worden de activiteiten van deze
organisaties op nationaal niveau door de overheid gesubsidieerd via de stichting Fonds PGO.
Een sterkere rol voor pgo-organisaties
Met de recente stelselvernieuwingen - de nieuwe zorgverzekeringswet en de invoering van de Wmo - wordt de maatschappelijke rol van de pgo-organisaties nog belangrijker. De zorggebruiker dient meer centraal te staan in de zorg. Het is belangrijk dat zorggebruikers zo veel mogelijk zelf kunnen bepalen welke zorg en ondersteuning bij hen past. Dit wordt niet alleen bereikt door het versterken van de positie van de individuele zorggebruiker, maar ook door het versterken van de positie van de organisaties die hem of haar vertegenwoordigen.
De pgo-organisaties moeten gezamenlijk een krachtige partij gaan vormen ten opzichte van zorgaanbieder, zorgkantoor, zorgverzekeraar, overheden en andere organisaties met een maatschappelijke functie.
Te denken valt daarbij aan:
- het ontwikkelen van specifieke kennis en kunde om het clientperspectief in te brengen
als wordt vastgesteld wat verantwoorde zorg of maatschappelijke ondersteuning is,
zoals bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van richtlijnen;
- het maken van afspraken met de zorgaanbieder over specifieke behandelingen of
afspraken met de zorgverzekeraar over het aanbieden van specifieke zorgpolissen. Op
dit gebied zijn al eerste goede ervaringen opgedaan, bijvoorbeeld in het programma
Zekere Zorg;
- het leveren van inbreng bij besluitvorming over de toegankelijkheid van diensten.
Pgo-organisaties moeten zowel individueel als collectief grotere invloed krijgen. Dit vraagt om een goede onderlinge samenwerking en het organiseren van regie op vraagstukken die de individuele pgo-organisaties overstijgen. De staatssecretaris en ik stellen extra middelen beschikbaar en vernieuwen de subsidiesystematiek om het pgo-veld te positioneren als een krachtige partij en en als volwaardige gesprekspartner van zorgaanbieders, -verzekeraars en andere maatschappelijke organisaties. Op die manier kunnen pgo-organisaties bijdragen aan een sterke en centrale positie van de individuele zorggebruiker met een optimale regie over het eigen leven.
De hoofdlijn voor de nieuwe subsidiesystematiek
Om de functies voorlichting, lotgenotencontact en belangenbehartiging goed te kunnen
vormgeven, is het noodzakelijk dat pgo-organisaties dicht bij hun doelgroep staan. De
huidige diversiteit aan pgo-organisaties sluit aan bij de diversiteit in ziekten, aandoeningen en beperkingen. Deze diversiteit is van waarde en moet behouden blijven. Tegelijkertijd moet het pgo-veld zich ontwikkelen tot een sterke partij. Hiervoor zijn samenwerking en regie noodzakelijk. Het gaat hierbij immers om een vraagstuk dat de individuele pgo-organisaties overstijgt. Tegen die achtergrond zal de nieuwe subsidiesystematiek bestaan uit:
1 een jaarlijkse basissubsidie voor de klassieke taken (lotgenotencontact, voorlichting en belangenbehartiging);
2 meerjarige programma’s ter versterking van de positie van de pgo-organisaties.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
4
Kenmerk
MC-U-2786197
De nieuwe systematiek kent verder de volgende uitgangspunten:
- gelijksoortige organisaties worden bij de basissubisidie op een gelijke manier
gefinancierd voor gelijksoortige activiteiten. Bij het bepalen van de hoogte van subsidies
die organisaties ontvangen is nu om historische redenen te veel onevenwichtigheid en
soms zelfs willekeur geslopen;
- de financiering van activiteiten van pgo-organisaties mag niet vrijblijvend zijn. Zij moeten verantwoording afleggen over de activiteiten die zij met publieke middelen uitvoeren.
Daarbij mogen zij geen activiteiten uitvoeren die het algemeen belang belemmeren.
Organisaties moeten de huidige instellingssubsidie die zij ontvangen niet vergelijken met de hoogte van de toekomstige basissubsidie, maar met het totaal bedrag dat ze ontvangen uit basissubsidie en programmafinanciering. In de regel zullen pgo-organisaties in de nieuwe, hier voorgestelde systematiek er financieel op vooruit gaan, als zij activiteiten uitvoeren die passen binnen de programma’s.
Basissubsidie
Naast de financiering uit de programma’s kunnen landelijk werkende pgo-organisaties voor hun activiteiten op het vlak van voorlichting, lotgenotencontact en belangenbehartiging jaarlijks een basissubsidie ontvangen tot een maximaal bedrag van € 90.000,- per doelgroep. Een doelgroep wordt gevormd door specifieke categorieen van zorggebruikers:
mensen met een bepaalde ziekte of aandoening of mensen die te maken hebben met de
gevolgen daarvan, zoals een motorische handicap. Ook ouderen worden gezien als een
doelgroep. Levensbrede aanwending van deze basissubsidie is toegestaan. De basissubsidie is van belang om de maatschappelijke participatie van zorggebruikers te bevorderen.
Bovendien sluit dit aan bij de huidige activiteiten van veel pgo-organisaties.
De basissubsidie bestaat uit een vast basisbedrag en een omvangstoeslag. Deze
omvangstoeslag is gerelateerd aan het aantal leden of donateurs en de inkomsten uit
contributies. De basissubsidie bedraagt maximaal € 100,- per lid. Als er meerdere
organisaties zijn die zich inzetten voor de belangen van mensen uit eenzelfde doelgroep dan wordt het maximum subsidiebedrag van € 90.000,- onder hen verdeeld.
Het pgo-veld blijft dynamisch: nieuwe organisaties kunnen met hun activiteiten aanspraak maken op de subsidie voor een bestaande doelgroep en er kunnen nieuwe doelgroepen worden benoemd door bijvoorbeeld het ontstaan van nieuwe ziektebeelden.
Ten opzichte van de huidige Regeling Functiefinanciering zijn de belangrijkste wijzigingen
voor de basissubsidie:
- betere aansluiting bij de bestaande diversiteit in het veld;
- meer continu?teit omdat de systematiek om soms alleen de organisatie met het beste
plan voor subsidie in aanmerking te laten komen is vervallen;
- de basissubsidie mag levensbreed worden aangewend.
De meerjarige programma’s
In het nieuwe stelsel van zorg en maatschappelijke ondersteuning is het van nog groter
belang dat de pgo-organisaties gezamenlijk een volwaardige rol spelen als kritische instantie
naast zorgaanbieders, zorgkantoren, zorgverzekeraars, overheden en andere organisaties
met een maatschappelijke functie. Voor het verkrijgen van deze sterkere positie zijn
samenwerking, regie en verdere professionalisering in het pgo-veld noodzakelijk. Alleen op
die manier krijgt de stem van het collectief van pati?nten, gehandicapten en ouderen
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
5
Kenmerk
MC-U-2786197
voldoende gewicht. E?n van de leerpunten uit het programma Zekere Zorg is dat een
dergelijke samenwerking en regie niet vanzelf ontstaat.
De meerjarige programma’s versterken de positie van de pgo-organisaties binnen het nieuwe
stelsel van zorg en maatschappelijke ondersteuning. Zij stimuleren gericht samenwerking en
ondersteunen organisaties bij hun ontwikkeling. In de keuze van de programmathema’s en
van de randvoorwaarden bij de programma’s komen de beleidsprioriteiten tot uitdrukking.
Een programma bestaat uit een bundel van projecten. De pgo-organisaties, inclusief
samenwerkingsorganisaties, kunnen voorstellen indienen voor projecten. De projecten
moeten bijdragen aan het realiseren van de programmadoelen. De uiteindelijk geselecteerde projecten worden gefinancierd. Door deel te nemen aan een programma kunnen pgoorganisaties aan kracht winnen. En ook in financieel opzicht is deelname dus lonend. Het bewaken van de samenhang tussen de projecten is een van de taken van de koepels bij de programma's. De programma's duren drie tot vijf jaar. Veel organisaties hebben aangegeven de looptijd van het programma Zekere Zorg (twintig maanden) namelijk als te kort te beoordelen. De resultaten van de programma’s zullen eenvoudig toegankelijk worden gemaakt.
Gelet op bovenstaande en gezien onze speerpunten van beleid op het gebied van
transparantie, clientgerichtheid en veiligheid, zoals verwoord in de brief over de kwaliteit
van zorginstellingen van 6 juli 2007 2, zijn wij voornemens vier programma’s in te stellen. Deze zijn hieronder globaal beschreven. In overleg met het veld zullen deze programma’s nader worden uitgewerkt. Wij willen deze programma’s zo snel mogelijk van start laten gaan.
1. Programma kwaliteit en transparantie (inhoudelijk programma)
De inzet van pgo-organisaties op dit thema concentreert zich met name op betrokkenheid bij de ontwikkeling van prestatie-indicatoren en bij de formulering van protocollen en richtlijnen op het gebied van welzijn en zorg. Deze inzet vraagt om versterking en om coordinatie, zodat de inbreng vanuit patienten en clienten wordt vergroot. Pgoorganisaties krijgen de mogelijkheid om te investeren in kennis en kunde om de bijdrage van patienten/clienten bij indicatorontwikkeling, richtlijnontwikkeling en wetenschappelijk onderzoek te vergroten. Zo komt het clientperspectief hierin meer centraal te staan. De pgo-s aanbieders en verzekeraars bevorderen en de gemaakte afspraken voor kwaliteitsverbetering toetsen.
2. Programma maatschappelijke participatie (inhoudelijk programma)3
Bevordering van maatschappelijke participatie is voor pgo-organisaties belangrijk. Pgoorganisaties zetten zich er bijvoorbeeld voor in dat patienten in de geestelijke
gezondheidszorg en clienten in de gehandicaptenzorg zoveel mogelijk kunnen deelnemen aan het arbeidsproces. Zij dragen bij aan een betere beeldvorming over mensen met een aandoening of beperking. Ook op andere terreinen van het maatschappelijk leven zetten pgo-organisaties zich in voor participatie van mensen met een aandoening of beperking: onderwijs, sport, de toegang tot uitkeringen, zelfstandig wonen, en toegang tot het openbaar vervoer. Onder meer ouderenorganisaties blijken daarnaast een platform voor vrijwilligerswerk.
2 TK 2006-2007, 28439 nr. 98
3 Eerder ook wel levensbreed genoemd.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
6
Kenmerk
MC-U-2786197
Dit programma richt zich op de volgende terreinen:
- maatschappelijke participatie: projecten gericht op het zo goed en lang mogelijk
maatschappelijk kunnen (blijven) participeren in de eigen omgeving (bijv. door
vrijwilligerswerk, betaalde arbeid, het volgen van onderwijs, het meedoen aan sport);
- vergroting maatschappelijke participatie voor PGB-houders (bijvoorbeeld door PGBhouders te ondersteunen bij het inhuren van hulp en ondersteuning om op die manier
beter deel te kunnen nemen aan de samenleving);
- wonen, welzijn en zorg: projecten gericht op het zo lang mogelijk in de eigen
leefomgeving (zelfstandig) kunnen blijven wonen;
- gelijke behandeling: projecten die bijdragen aan de gelijke behandeling bij de toegang
tot, het gebruik van (en de bejegening bij) goederen en diensten. Dit kan bijvoorbeeld
door hierover afspraken te maken met brancheorganisaties (zelfregulering);
- bevorderen positieve beeldvorming over mensen met een aandoening of beperking.
Het programma maatschappelijke participatie zal zich met voorrang richten op de
gehandicapten-, ouderen- en GGZ-organisaties.
3. Programma versterking en ondersteuning (procesmatig programma)
Veel pgo-organisaties drijven op de inzet van vrijwilligers. In die situaties kan het moeilijk
zijn voldoende tegenwicht te bieden aan grotere organisaties als zorgaanbieders,
zorgverzekeraars of de farmaceutische industrie. In de huidige overgang naar zorgstelsels waarin de positie van pgo-organisaties ten opzichte van aanbieders en verzekeraars vorm dient te krijgen, ervaren veel pgo-organisaties een behoefte aan verdere professionalisering om effectiever te kunnen opereren. Ik vind het van belang om in overleg met het pgo-veld te bepalen hoe deze ontwikkeling kan worden vergemakkelijkt.
4. Programma kennis- en informatie over het zorgaanbod en over de rechten en plichten van zorggebruikers (kennisprogramma)
Het verschaffen van goede objectieve informatie over het zorgaanbod is van essentieel
belang. Uit onderzoek is daarnaast gebleken dat de zorggebruiker behoefte heeft aan
meer en eenduidiger informatie over zijn rechten en plichten.
Dit programma richt zich met name op het verstrekken van:
- informatie over rechtspostie;
- informatie over wat te doen bij klachten en geschillen;
- informatie over het zorgaanbod.
Dit programma richt zich niet alleen op de pgo-organisaties, als vertegenwoordiger van
de zorggebruiker: zorggebruikers krijgen zelf direct toegang tot de gegenereerde
informatie. Het heeft hierdoor een breder karakter dan de andere programma’s.
Een inhoudelijke regierol voor de koepels
De drie koepels NPCF, CG-raad en CSO werken landelijk en richten zich op
aandoeningsoverstijgende vraagstukken. Deze koepels leveren een belangrijke bijdrage aan de samenwerking en regie in het pgo-veld. Die zijn nodig om de eerder genoemde krachtige partij te vormen. Bij het programma Zekere Zorg is geleerd dat het wenselijk is om projecten te begeleiden, leerervaringen te delen en om samenhang tussen programma-onderdelen in het oog te houden.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
7
Kenmerk
MC-U-2786197
De koepels krijgen een belangrijke inhoudelijke regierol bij de totstandkoming en uitvoering van de programma’s. Zij moeten bij de start en bij de uitvoering van de programma’s de samenhang tussen programma-onderdelen bewaken om zo dubbel werk te voorkomen. Alleen op die manier kunnen verschillende programmaonderdelen elkaar versterken. Ook dienen de genoemde koepels actief te bevorderen dat kennis en ervaringen worden gedeeld.
Als laatste dienen de koepels ervaringen van pgo-organisaties te bundelen en in te brengen in besluitvormingstrajecten die de reikwijdte van afzonderlijke pgo-organisaties ontstijgen. De koepels zullen bij de realisatie van de programma’s ervoor moeten zorgen dat zij voldoende draagvlak hebben bij afzonderlijke pgo-organisaties, ook buiten de directe kring van leden van desbetreffende koepel. De opzet van de programma’s en de regierol van de koepels hierbij worden na vier jaar geevalueerd.
De financiering van de koepels NPCF, CG-raad en CSO zal ook plaatsvinden via de
programma’s. De koepels kunnen daarnaast een relatief bescheiden contributie van hun
leden vragen. Voordat de programma’s daadwerkelijk starten wordt, met behulp van een organisatieadviesbureau, onderzocht in welke mate, op welke wijze en (zo nodig) op welke termijn zij voldoende zijn voorbereid en toegerust voor de gewenste regierol. Daarbij wordt ook gekeken naar de overige activiteiten van de koepels en wat er nodig is om deze naar behoren uit te kunnen voeren.
De koepels NPCF, CG-raad en CSO hebben aangegeven een dergelijke inhoudelijke regierol op zich te willen nemen.
Andere organisaties en herverdelingseffecten
Organisaties moeten de huidige instellingssubsidie die zij ontvangen niet vergelijken met de hoogte van de toekomstige basissubsidie, maar met het totaal bedrag dat ze ontvangen uit basissubsidie en programmafinanciering. In de regel zullen pgo-organisaties er financieel op vooruit gaan, als zij activiteiten uitvoeren die passen binnen de programma’s. Een van de uitgangspunten van de basissubsidie is dat gelijksoortige organisaties op een gelijke manier gefinancierd worden voor gelijksoortige activiteiten. Dat betekent dat sommige organisaties (voornamelijk verschillende gehandicapten-, ouderen en GGZ-organisaties) er wat betreft basissubsidie op achteruit gaan. De hierdoor vrijkomende financiele middelen komen echter volledig ten goede aan het programma maatschappelijke participatie, dat op zijn beurt weer wel met voorrang zal worden gerealiseerd door de gehandicapten-, ouderen- en GGZorganisaties.
Daarnaast kunnen deze organisaties uiteraard ook deelnemen aan de andere
programma’s, waarvoor de structurele extra middelen (circa € 10 miljoen per jaar) met
name zullen worden aangewend. Dit resulteert er per saldo in dat ook de groep van
gehandicapten-, ouderen- en GGZ-organisaties er financieel niet op achteruit gaat en er per saldo op vooruit kan gaan, als zij activiteiten (gaan) uitvoeren die passen binnen de
programma’s. Het is mogelijk dat bij de door mij te hanteren indeling naar doelgroepen enkele organisaties die nu instellingssubsidie ontvangen vanwege hun specifieke aard de facto niet voor een basissubsidie in aanmerking komen, terwijl zij met hun activiteiten wel een belangrijke bijdrage leveren aan de doelstellingen van de subsidiesystematiek. Ik verwacht dat de activiteiten van deze organisaties veelal gefinancierd zullen kunnen worden vanuit de programma’s. Ik zal daar met speciale aandacht naar kijken.
Naast de drie grote koepels bestaan er ook andere samenwerkingsorganisaties binnen het pgo-veld. Deze organisaties vervullen bepaalde taken van hun lidorganisaties omdat deze
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
8
Kenmerk
MC-U-2786197
taken gebundeld beter of efficienter kunnen worden opgepakt. Deze organisaties ontvangen derhalve geen basissubsidie. Zij dienen primair gefinancierd te worden via de deelnemende organisaties die zelf wel een basissubsidie kunnen ontvangen. Deze bestaande en mogelijk nieuwe samenwerkingsorganisaties kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de doelstellingen van de programma’s. De activiteiten die zij hiervoor uitvoeren kunnen uit de programma’s worden gefinancierd.
Ook op het provinciale en het lokale niveau hebben pgo-organisaties een belangrijke functie. Afspraken over provinciale en lokale activiteiten - en de financiering hiervan – worden hoofdzakelijk op dat niveau gemaakt. Daar waar het bijdraagt aan het verwerkelijken van de doelen van het programma is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk dat ook organisaties die werkzaam zijn op het decentrale niveau aan een programma deelnemen en daarvoor een bijdrage ontvangen. De afstemming van de activiteiten tussen de verschillende betrokken overheden blijft vanzelfsprekend een aandachtspunt.
Op grond van de Regeling Functiefinanciering financiert het Fonds PGO een aantal
organisaties ter ondersteuning van medezeggenschap. Dit wordt ongewijzigd voortgezet totdat herbeziening van de Wet medezeggenschap clienten zorginstellingen (Wmcz) heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft de subsidies voor kwaliteitstoetsing die het Fonds eveneens op grond van de Regeling Functiefinanciering uitvoert, geldt dat deze in beginsel
zoveel mogelijk betrokken zullen worden bij het programma kwaliteit en transparantie.
Naast de Regeling Functiefinanciering verstrekt het Fonds PGO in opdracht van VWS ook
andere subsidies aan pgo-organisaties. De komende tijd zullen wij bezien of, en zo ja per
wanneer, het mogelijk en wenselijk is deze middelen voor pgo-organisaties meer gebundeld
in te zetten via de programma’s om zo te komen tot een meer gestroomlijnd
subsidiesysteem.
Premiefinanciering
Mij is bekend dat onder pgo-organisaties een breed gedeeld gevoel leeft dat
gelijkwaardigheid met de andere zorgpartijen veronderstelt dat pgo-organisaties uit de
premiemiddelen dienen te worden bekostigd, en niet uit de rijksbegroting. Ik deel het gevoel van het pgo-veld dat een sterke positie van deze organisaties ten opzichte
van zorgaanbieders en zorgverzekeraars noodzakelijk is. Ik ben ook van mening dat hiervoor extra middelen noodzakelijk zijn. Ik ben echter geen voorstander van premiefinanciering. Uit de premiemiddelen wordt de levering van zorg en maatschappelijke ondersteuning gefinancierd. Die dienstverlening vindt plaats aan individuele personen bij gebleken (medisch) geindiceerde behoefte. Om het risico van die behoefte af te dekken betalen zij vooraf premie. Dat is de basis van de verzekeringsgedachte. Die gedachte wil ik zo zuiver mogelijk houden. Het financieren van de activiteiten van pgo-organisaties past hier niet in.
Indien verzekeraars en pgo-organisaties dat wenselijk achten, zou wel in de aanvullende
verzekering een lidmaatschap kunnen worden opgenomen. Dit komt nu al voor. Dat is echter een zaak van verzekeraars en verzekerden (cq. pgo-organisaties).
Het Fonds PGO
Het Fonds PGO is een privaatrechtelijke ZBO van VWS. De Regeling Functiefinanciering
wordt uitgevoerd door het Fonds PGO. De Kaderwet ZBO’s brengt met zich mee dat het niet vanzelfsprekend is dat het Fonds een ZBO zal blijven. Nu de contouren van de nieuwe
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
9
Kenmerk
MC-U-2786197
systematiek en de rolverdeling van partijen duidelijker wordt, is het moment aangebroken de positionering van het Fonds nader te bekijken. Daarbij is het van belang dat de grote kennis en ervaring van het Fonds behouden blijft.
Per 1 januari 2008 loopt het delegatiebesluit van het Fonds PGO af. Dit besluit zal worden
verlengd tot 2010 zodat het Fonds ook in 2008 rechtmatig subsidies kan blijven verstrekken en intussen besluitvorming over de toekomst van het Fonds kan worden voorbereid.
Vervolgtraject
Gelet op het overleg dat ik nog met u en het veld wil voeren, acht ik het niet wenselijk om
op 1 januari 2008 de nieuwe systematiek in werking te laten treden. Zoals ik u al heb
toegezegd in mijn brief van 3 juli 20074 zal ik de huidige subsidiesystematiek nog een jaar voortzetten, zodat de pgo-organisaties voldoende gelegenheid hebben om zich voor te bereiden op de toekomstige systematiek. Ik heb het Fonds PGO gevraagd de pgoorganisaties hierover te informeren.
Samen met de staatssecretaris wil ik rond de jaarwisseling een uitgewerkte
subsidiesystematiek aan u voorleggen. De ingangsdatum van deze nieuwe systematiek zal 1 januari 2009 zijn. Om de vernieuwing snel vorm te kunnen geven en daarmee de positie van de zorggebruiker en het pgo-veld binnen een zo kort mogelijke termijn te versterken, wil ik een zorgvuldig, maar tegelijkertijd zo kort mogelijk overgangstraject in acht nemen. Omdat het opzetten van de programma’s een gedegen voorbereiding vraagt, start ik hiermee zo spoedig mogelijk.
Ik ben me er van bewust dat er de afgelopen jaren veel onzekerheid is ontstaan bij pgoorganisaties over het behoud van hun subsidies. Met deze brief hoop ik duidelijkheid
gegeven te hebben over mijn visie op de maatschappelijke betekenis van pgo-organisaties en hoe ik hun activiteiten wil financieren. Ik wil u en de organisaties in het veld nadrukkelijk betrekken bij het verder uitwerken van deze nieuwe systematiek.
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
dr. A. Klink
4 TK 2006-2007, 29214 nr. 23
Toespraak, 9 november 2006 door voormalig minister Hans Hoogervorst
De geestelijke gezondheidszorg (GGZ) kan niet achterblijven bij andere sectoren in de gezondheidszorg, waar al volop wordt gewerkt met prestatievergelijkingen, kwaliteitsprogramma's en handelen op basis van wetenschappelijk verkregen bewijs ('evidence based'). Daarom moet ook de GGZ kiezen voor een moderne aanpak, gebaseerd op 'evidence based' handelen en openheid over de gemaakte keuzes. Dat zei minister Hoogervorst tijdens de opening van het congres 'Kwaliteitsverbetering in de psychiatrie' op 9 november in Amsterdam. De volledige tekst van zijn toespraak vindt u hieronder.
Dames en heren,
`Wie ophoudt met verbeteren houdt snel op met goed zijn'. Als het goed is klinkt deze uitspraak u bekend in de oren, want het zijn de woorden van de man ter ere van wie dit congres over kwaliteitsverbetering in de psychiatrie is georganiseerd.
De woorden van Swinkels zijn mij uit het hart gegrepen. Want de GGZ kan niet achterblijven bij andere sectoren in de gezondheidszorg, waar al volop wordt gewerkt met prestatievergelijkingen, kwaliteitsprogramma's en evidence based handelen. En dus ook aan manieren om het werk voortdurend te verbeteren.
Zeker: er wordt binnen uw beroepsgroep al het nodige gedaan op dit terrein. De commissie Kwaliteitszorg, waar professor Swinkels tien jaar voorzitter van was, is daarvan uiteraard het beste voorbeeld.
Maar de Psychiatrie heeft op dit traject wel een langere weg te gaan dan de “gewone” gezondheidszorg. Om het voorzichtig te zeggen: uw vakgebied heeft geen grote traditie op het gebied van transparantie.
In het Visiedocument dat GGZ Nederland twee jaar geleden presenteerde, werd daar dan ook terecht veel aandacht aan besteed. Ik denk dat die aandacht voor uw beroepsgroep van levensbelang is.
Traditioneel is de geestelijke gezondheidszorg niet bij voorbaat verzekerd van een vanzelfsprekende maatschappelijke en politieke steun. Een moderne aanpak, gebaseerd op “evidence based”-handelen en openheid over gemaakte keuzes, is de beste manier om daar verandering in te brengen.
Zo is het goed dat onder leiding van professor Swinkels richtlijnen tot stand zijn gekomen. Daarvan zijn er in de psychiatrie inmiddels veertien. Richtlijnen die precies aangeven wat we, bijvoorbeeld, onder een depressie moeten verstaan en hoe je die volgens de laatste stand van de wetenschap het best behandelt.
Richtlijnen kunnen de professionele effectiviteit en doelmatigheid immers sterk vergroten. Ze komen de kwaliteit van uw werk ten goede en het werk wordt er ook een stuk efficiënter van. Ik heb mij laten vertellen dat een efficiencywinst van 25 procent mogelijk is. Het aantal effectieve, geslaagde behandelingen zal toenemen. Redenen genoeg dus om die richtlijnen als uitgangspunt voor uw handelen te nemen.
Voorwaarde is uiteraard wel, dat u ook volgens die richtlijnen werkt. In de hele medische wereld zie je dat dat bepaald nog geen gewoonte is. Ik ga er van uit dat daar de komende jaren verandering in komt. Alleen dan hebben de richtlijnen ook de waarde die ik net noemde: vergroting van uw legitimiteit en versterking van uw positie.
Een belangrijke mijlpaal in de versterking van de positie van de GGZ is uiteraard de overheveling van de geneeskundige GGZ van de AWBZ naar de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2008.
Uw sector valt over ruim een jaar dus voor het grootste deel weer onder de tucht en de regels van de curatieve zorg. Alleen de behandeling van chronisch-psychiatrische patiënten blijft onder de AWBZ vallen. Psychiatrie wordt daarmee vanaf 1 januari 2008 weer een gewoon medisch specialisme.
Ik vind dat - en u gelukkig ook - een uitstekende zaak. De situatie waarbij de GGZ helemaal uit de AWBZ-pot wordt betaald, laat onvoldoende zien dat een groot deel van de psychische problemen goed en snel te genezen is. Dat een therapie geen bijzondere vorm van tovenarij is, maar een helder omschreven geheel van acties kun je ook prima in een DBC vastleggen.
De overgang van AWBZ naar zorgverzekeringswet heeft voor u als psychiater wel twee belangrijke consequenties. De eerste noemde ik net al: u zult vanaf 1 januari 2008 ook gaan declareren op basis van DBC's. U heeft daarbij al een voorsprong op uw collega's van andere specialismen, omdat u gekozen heeft voor een klein aantal productbeschrijvingen. Daarmee loopt u in feite al vooruit op de vereenvoudiging van de DBC's waar in de ziekenhuizen nu hard aan wordt gewerkt. Uitgangspunt bij de invoering van de DBC's is dat zij de vergelijkbaarheid van kwaliteit en prijs vergroten.
En dat is de tweede belangrijke consequentie van de overgang naar de zorgverzekeringswet: ook in de GGZ-sector worden de medisch specialisten vanaf 1 januari 2008 afgerekend op prestaties. Ook uw sector zal dus te maken gaan krijgen met het fenomeen prestatie-indicatoren, die aangeven hoe u presteert als het gaat om zaken als effectiviteit, veiligheid en cliëntgerichtheid.
Ik ben dan ook blij dat die prestatie-indicatoren voor uw sector er, zoals het er nu naar uit ziet, eind deze maand liggen. Dan kunt u werk gaan maken van de daadwerkelijke invoering. Primair zijn de indicatoren ervoor bedoeld dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg ze kan gebruiken als meetlat bij haar visitaties van uw beroepsgroep.
Maar prestatie-indicatoren geven ook helderheid over de onderlinge verschillen. Er zijn nu eenmaal verschillen tussen het ene ziekenhuis en het andere, het ene verpleeghuis en het andere en ook tussen de ene psychiater en de andere. Ik vind dat die verschillen zichtbaar moeten worden, zowel voor de zorgverzekeraar als voor de consument.
Dan heb ik nog één punt waar ik even bij wil stilstaan: de onafhankelijkheid van uw diagnostiek. U bepaalt, als professional, of een patiënt voor zijn ziekte of aandoening in aanmerking komt voor een behandeling - en niet een commercieel directeur of een lid van de Raad van Bestuur.
In het algemeen is de kern van een goed en betaalbaar systeem van gezondheidszorg, dat elke behandeling nuttig en nodig, zinnig en zuinig moet zijn. En vooral voor psychische zorg geldt, dat het zich leent voor een oneindige vraag.
Nu al lijkt depressie een echte volksziekte te worden. Enige tijd geleden heb ik een brief aan de Tweede Kamer gestuurd, met daarin de constatering dat elk jaar één op de vier volwassenen aan één of andere vorm van psychische stoornis lijdt. Toch vraag ik me wel eens af wat we met die constatering aanmoeten. Leggen we de lat dan niet te laag? Bagatelliseren we met dergelijke definities niet de ernst van een ingrijpende psychische stoornis?
Ik heb wel eens een advertentie gezien, waarin een AWBZ-instelling in het zuiden des lands mensen met liefdesverdriet aanmoedigde in therapie te gaan. Het lijkt me heel nuttig met anderen over je verdriet te praten, maar volgens mij hoeft dat niet per se met een psycholoog of psychiater.
Dames en heren,
Ik ben blij dat de geestelijke gezondheidszorg een weg opgaat van werken volgens richtlijnen, met openheid en onderlinge vergelijkbaarheid. Dat is niet alleen in het belang van een betere en betaalbare gezondheidszorg. Het geeft u ook de kans uw meerwaarde aan te tonen.
Het fundament dat professor Swinkels voor deze ontwikkeling heeft gelegd, daar kunt vanaf vandaag op verder bouwen. Ik ga er van uit dat u dat doet.
Want wie ophoudt met verbeteren, houdt snel op met goed zijn.
Ik wens u een inspirerend, boeiend en leerzaam vervolg toe van dit congres.
|