|
2. Farmaceutisch
2 februari 2010
Radar over antidepressiva
Een recordaantal van 11.353 mensen vulde een enquête in over het gebruik van antidepressiva, naar aanleiding van een oproep van Tros Radar.
Van de gebruikers ondervond 67 procent bijwerkingen van de antidepressiva. Ruim 1646 mensen ervoeren destructieve gedachten of agressie na gebruik van antidepressiva. Van hen was 70 procent niet gewaarschuwd door de arts voor deze bijwerkingen, volgens Radar.
Trudy Dehue, schrijfster van het boek De depressie-epidemie, zegt in de uitzending dat niet alle behandelaars op de hoogte zijn van agressie door het gebruik van antidepressiva. ‘Luister nou eens naar mensen’, adviseert ze de voorschrijvende artsen.
Psychiater Bram Bakker vindt dat huisartsen de middelen te vaak voorschrijven, met name bij milde klachten. De huisarts is desondanks goed in staat om deze groep te behandelen, vindt huisarts Lex Goudswaard van het Nederlands Huisartsen genootschap (NHG). Wel moet er meer nadruk komen op praten in plaats van pillen. Het Lareb heeft 27 meldingen gehad van agressie bij SSRI’s.
Auteur: Heleen Croonen, Medisch Contact
De uitzending is hier te bekijken:
http://www.trosradar.nl/radar-home/
Ziekte te koop?
Marketing van ziekte
Publicatie: Nr. 01 - 02 januari 2009, Medisch Contact
Auteur: Sophie Broersen
Maatschappij medicaliseert tot in het absurde
Vermarkt een ziekte, verkoop een pil. Zo zou je grof gezegd het begrip ‘disease mongering’ kunnen omschrijven. De Londense huisarts Iona Heath, wereldwijd een graag geziene gast op huisartsencongressen, maakt zich zorgen om dit fenomeen.
Als ze maar één ding mag kiezen, dan maakt Iona Heath zich het meest zorgen om hoe ziek we ons eigenlijk wanen in de westerse wereld, terwijl de cijfers daar geen aanleiding voor geven. ‘Er is een onderzoek dat de mortaliteit vergelijkt tussen een van de armste delen van India, Bihar, en de Verenigde Staten. Natuurlijk is de levensverwachting in Bihar heel laag in vergelijking met de VS. Maar de hoeveelheid ziekten die mensen zelf rapporteren, was verreweg het hoogst in de VS en heel laag in Bihar. Degene die het onderzoek deed, Nobelprijswinnaar Amartya Sen, vond het zorgelijk dat mensen in Bihar blijkbaar zo arm waren dat ze niet eens door hadden dat ze ziek waren. Ik zie een heel ander probleem: wat doet moderne geneeskunde in godsnaam met mensen in Amerika? Ze zijn gezonder en leven langer dan ooit tevoren, maar voelen zich veel vaker ziek. Dat vind ik een tragedie
Grenzen oprekken
Heath, die al sinds 1975 als huisarts werkt in een achterstandswijk in Londen, was begin december een dag in Nederland. Ze gaf een door het NHG georganiseerde masterclass over disease mongering: het verkopen, of in de markt zetten van ziekte. Vaak gaat het dan om het oprekken van de grenzen van een bestaande ziekte, op zo’n manier dat de markt voor een (nieuw) product, meestal een medicijn, groter wordt. Dat proces omschreef zij – samen met journalist Ray Moynihan en hoogleraar farmacologie David Henry – in British Medical Journal in 2002.2 Sindsdien heeft ze er niet meer over gezwegen. Heath nam niet het initiatief voor het artikel, maar werd erbij betrokken, ‘omdat het handig was om een praktiserende dokter tussen de auteurs te hebben staan.’ Het is te bescheiden van de Engelse, die zich al jaren daarvoor openlijk uitsprak over de in haar ogen zorgelijke ontwikkeling van medicalisatie en de betrokkenheid van de farmaceutische industrie hierbij. ‘Geleidelijk ben ik me over een paar dingen gaan verwonderen. In de jaren negentig bijvoorbeeld, toen er een grote campagne werd gevoerd om de strijd met depressie aan te binden. Toevalligerwijs net op het moment dat SSRI’s op de markt kwamen. Die campagne werd gevoerd door de beroepsverenigingen van huisartsen en psychiaters, maar was overduidelijk gefinancierd door de farmaceutische industrie.’
Gehaat
Onder disease mongering, ziekte verkopen, schaart Heath een aantal varianten. Bijvoorbeeld het introduceren van een nieuwe ziekte, meestal geënt op iets wat tot dan toe als een normale toestand werd gezien, zoals mannelijke kaalheid. Of het oprekken van de definitie van ziekten, zoals volgens Heath is gebeurd bij hypertensie, hypercholesterolemie en diabetes mellitus. Heath: ‘Als je bij diabetes de afkappunten van een normale bloedglucose verlaagt, hebben veel groepen daar baat bij. Want opeens “ontdekken” artsen meer patiënten, die voorheen niet wisten dat ze ziek waren. En de resultaten van de behandeling verbeteren ook meteen, want er zullen in de hele groep diabeten minder complicaties optreden. Immers, de ‘nieuwe’ diabeten lopen minder risico op een amputatie, omdat hun bloedsuiker lager is. Dus iedereen boekt betere resultaten, politici ook. En farmaceuten zien hun afzetmarkt vergroot.’
Een andere manier van disease mongering vindt Heath het presenteren van risicofactoren als een ziekte. ‘Ik ben inmiddels een gehate figuur geworden bij de National Osteoporosis Society, omdat ik aan het Britse parlement heb verteld dat ik het risico op botbreuken bij verminderde botdensiteit overdreven vind. Je moet ook nog vallen, toch? Ik zeg niet dat er geen mensen zijn die wel degelijk osteoporose hebben en bij wie je het als ziekte kunt beschouwen, maar dat zijn mensen die aan het eind van het spectrum staan. Maar al die menopauzale vrouwen die een botdichtheidmeting willen laten doen, bezorgd als ze zijn over hun botten, waaruit dan komt dat die iets verlaagd is, moeten die allemaal medicijnen gaan slikken?’
Marketing van ziekte
Het op de markt zetten van een ziekte is helemaal niet zo moeilijk, zegt Heath: ‘Zorg voor een goede naam, goed te onthouden en niet al te naar. Dus niet impotentie, maar erectiele disfunctie. Dat is minder stigmatiserend en klinkt wat technischer. Maar er moet wel uit blijken dat het heel ernstige gevolgen kan hebben. Vervolgens schakel je journalisten in, die schrijven over hoe miskend en ernstig deze ziekte is. Je begint een campagne om de ziekte te exporteren van de specialist naar de huisartspraktijk, zodat bijvoorbeeld diagnose en behandeling van depressie niet meer voorbehouden zijn aan de psychiater alleen. En vervolgens repositioneer je de ziekte, om de doelgroep zo groot mogelijk te maken. Je verandert het patiëntenprofiel en breidt zo de prevalentie uit. Bij impotentie is dat heel effectief geweest. Vroeger was je wel of niet impotent, en was het ook nog wel eens intermitterend of acuut. Tegenwoordig zijn er wel vier stadia van ED en betreft het een chronische aandoening met een medische oorzaak. Dus niet psychisch of gewoon ouderdom, want daar kunnen we niets aan doen.’
Paranoia? Heath leest voor uit Journal of Medical Marketing, over hoe marketeers denken dat farmaceuten te werk moeten gaan.3 Kort samengevat: producten op de markt zetten kunnen we al heel goed; kijk maar naar Pfizers Lipitor en AstraZeneca’s Nexium. Nadeel van die aanpak is dat veel patiënten onbehandeld blijven, omdat ze niet weten dat ze ziek zijn. Laten we dus een conditie, een ziekte in de markt zetten. Marketing van product en ziekte kunnen elkaar dan zo versterken met als gevolg betere gezondheid van de patiënt en hogere verkoop van het product.
Angst aanjagen
Een groot probleem van disease mongering ziet Heath in de medicalisering van de maatschappij. Tot in het absurde, volgens haar. Ze verwijst naar onderzoek in Noorwegen, een land waarvan de bewoners tot de langstlevenden op aarde behoren; de gemiddelde levensverwachting is er 80 jaar.4 Afgaande op richtlijnen voor cardiovasculaire ziektepreventie, waarbij een totaal cholesterolgehalte van boven de 5 mmol/l als afkappunt wordt genomen, behoort de helft van de bevolking op 24-jarige leeftijd tot een hoogrisicogroep. Nog voor het 50ste levensjaar is dit al 90 procent. Heath: ‘Klopt dat? Je moet het je wel afvragen, als je dit zo ziet. En nee, in die richtlijnen staat niet dat je al deze mensen moet behandelen, maar wél dat je ze moet informeren dat ze een verhoogd risico op hart- en vaatziekten lopen. Je jaagt dus heel veel mensen angst aan over een voortijdige dood, in een land waar mensen gemiddeld erg oud worden. Daar moeten we over nadenken. Want wat is de consequentie? Er is geen enkele manier waarop we de farmaceutische behandeling van alle gezondheidsrisico’s voor iedereen kunnen betalen als we dit door belastingbetalers willen laten opknappen.’
Lang leven
De uitdaging voor de medische stand is groot, zegt Heath: ‘Er zijn grote tegengestelde belangen. Om te beginnen economische, gezien de ogenschijnlijk grenzeloze hoeveelheden geld die kunnen worden uitgegeven aan de behandeling van zogeheten ziekten en risicofactoren. En politieke belangen, want nadruk op de behandeling van ziekte lijkt de verantwoordelijkheid van politici om iets te doen aan oorzaken te minimaliseren. En natuurlijk de belangen van artsen en wetenschappers, wier carrières soms afhankelijk zijn van de jacht naar nieuwe ziekten en risicofactoren. Maar meer fundamenteel nog is datgene wat iedereen herkent: een primitieve angst voor ziekte en dood. In vroeger tijden hielp religie daartegen en hoopten we op redding na de dood. Maar nu lijkt het wel alsof we die redding al eerder moeten bereiken in een zo lang mogelijk leven.’ Dokters en anderen die invloed hebben in de gezondheidszorg, staan volgens Heath voor de moeilijke taak om dit te erkennen en voorbij die angst te denken. ‘Artsen worden niet getraind om om te gaan met existentiële angst, maar we kunnen er niet omheen. Volgens mij is de enige manier om vooruit te komen, te streven naar meer aandacht voor de manier waarop we leven in plaats van het moment waarop we doodgaan.’
Straatje schoonvegen
De medische stand moet volgens Heath als eerste zijn eigen straatje schoonvegen: ‘We kunnen onze patiënten én politici pas dan goed adviseren, als we zelf totaal onafhankelijk zijn van farmaceuten. Ook moet er aandacht zijn voor de manier waarop wetenschap wordt gebruikt: een verantwoordelijke interpretatie van statistieken en minder extrapolatie van gegevens. We moeten de discussie met beleidsmakers durven aangaan: over de zinvolheid van preventie, en over hoe ver sociale solidariteit reikt als het gaat om welke interventies we wel of niet moeten uitvoeren. En we moeten onze patiënten meer gelegenheid geven om te kiezen voor wel of niet behandelen. Het percentage mensen dat statines blijft slikken bijvoorbeeld, is vrij laag. Dat wijst er volgens mij op dat we mensen nog niet voldoende betrekken bij die keuze. Bij al het onderzoek dat ik ken waarbij mensen daadwerkelijk goed werden geïnformeerd over risico’s op ziekte en op mogelijke bijwerkingen, blijkt telkens dat mensen minder, in plaats van meer interventies willen.’
Referenties
1. Sen A. Health: perception versus observation. BMJ 2002; 324: 860-1. 2. Moynihan R, Heath I, Henry D. Selling sickness: the pharmaceutical industry and disease mongering. BMJ 2002; 324: 886-90. 3. Angelmar R, Angelmar S, Kane L. Building strong condition brands. J Med Marketing 2008; 7: 341-51. 4. Getz L, Kirkengen AL, Hetlevik I, Romundstad S, Sigurdsson JA. Ethical dilemmas arising from implementation of the European guidelines on cardiovascular disease prevention in clinical practice. Scand J Prim Health Care 2004: 22; 202-8.
Nefarma oneens met analyse Bouma in Trouw
21/01/2008 Bron nefarma (belangenvereniging van de farmaceutische industrie)
Nefarma is het niet eens met de analyse van Trouw-journalist Bouma over de invallen door Eurocommissaris Kroes bij farmaceutische bedrijven. Hij stelt dat bedrijven 'in de rats' zitten omdat ze mogelijk te weinig doen aan innovatie.
Directeur Michel Dutrée hierover: "De analyse van Joop Bouma in de krant van 18 januari over de geneesmiddelenbedrijven (door hem stelselmatig pillenfabrikanten genoemd) begrijp ik niet. Hij stelt dat de sector ‘in de rats’ zou zitten over het onderzoek van eurocommissaris Kroes, met name vanwege het ‘weinig investeren in de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen’. Bouma wekt de suggestie dat bedrijven bewust geen nieuwe medicijnen willen ontwikkelen voor aandoeningen als Alzheimer, multiple sclerose of kanker. Dat is gelukkig niet zo. Het is ook niet logisch. De concurrentie tussen farmaceutische bedrijven is groot. Het zijn commerciële bedrijven die onder zware druk staan van aandeelhouders en beleggers, juist omdat de komst van nieuwe geneesmiddelen zo belangrijk voor ze is. Fabrikanten willen graag middelen op de markt kunnen brengen die een doorbraak zijn bij de bestrijding van dergelijke chronische aandoeningen. Eenvoudigweg omdat die middelen het geld moeten opbrengen voor de grote researchinvesteringen. Recent heeft een onderzoeksbureau berekend dat de ontwikkeling van één nieuw geneesmiddel zo’n 1,5 miljard dollar kost. Dat terugverdienen en het blijven ontwikkelen van nieuwe middelen is de enige manier om als bedrijf op termijn te blijven bestaan, juist ook in turbulente beurstijden.
Dat farmaceutische bedrijven veel geld besteden aan marketing is juist. Dat ze weinig besteden aan research is apert onjuist. Wereldwijd gaat het om honderden miljarden. Daarmee investeert de sector meer in de gezondheidszorg dan welke overheid dan ook. Bovendien neemt ze ook alle risico’s, want lang niet alle researchinspanningen leiden tot een werkzaam geneesmiddel.
Scherpe concurrentie tussen de bedrijven is van levensbelang voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen (en niet alleen ‘pillen’). Onderzoeken als die van mevrouw Kroes dragen eraan bij dat die concurrentie blijft bestaan. "
Een samenvatting van deze reactie is door Trouw gepubliceerd op de opiniepagina van de krant.
Tweeluik farmaceutische industrie, deel II
05 mei 2008
TROS Radar legt in een tweeluik uit hoe de farmaceutische industrie probeert recept geneesmiddelen aan de man te brengen. Per jaar wordt er 1,3 miljard euro uitgegeven alleen al aan marketing. In de eerste uitzending laten we u zien welke marketingtechnieken farmaceuten hanteren om te bepalen welke recept geneesmiddelen een arts voorschrijft. Ook laten we zien dat de farmaceutische industrie zich voornamelijk richt op lifestyle producten, zoals Viagra en me too's, omdat daar het meeste geld mee te verdienen is. Duidelijk wordt dat er op dit moment miljarden euro's geïnvesteerd worden in deze me too's die vaak niet bewezen beter en zeker niet goedkoper zijn dat bestaande middelen. Geld dat ook geïnvesteerd kan worden in medicijnen voor ziektes waar nog geen of weinig middelen voor zijn.
De farmaceutische industrie heeft ruim 200 marketinginstrumenten om geneesmiddelen op de markt te brengen. We zetten er een aantal op een rijtje.
Medical Opinion Leaders
Dit zijn specialisten of wetenschappers die betaald worden door de industrie om hun middelen te promoten. We hebben in de eerste uitzending laten zien dat medical opinion leaders flink betaald krijgen voor pr en marketingactiviteiten voor de farmaceut en zijn middel.
Een goed voorbeeld is een dvd van Pfizer, verspreid onder huisartsen. Hierop beweren een aantal artsen dat de cholesterolverlager van Pfizer, Lipitor, beter werkt dan z’n goedkoopste concurrent Simvastatine. Terwijl uit het onderzoek, welke wordt aangehaald op de dvd, blijkt dat dit niet bewezen is. Toch moet de dvd huisartsen overtuigen dat zij beter Lipitor kunnen voorschrijven dan het eerste keus middel Simvastatine.
Maar het gaat nog verder. Naast medical opinion leaders worden ook maatschappen van ziekenhuizen betaald door de farmaceutische industrie. De farmaceut betaalt voor een arts-assistent en vraagt daar voor terug dat de maatschap haar middel als eerste keus aan patiënten geeft.
Geneesmiddelen onderzoeken
Om een geneesmiddel geregistreerd te krijgen moet er eerst onderzoek gedaan worden. Het liefst met een zo gunstig uitslag. Een Radar medewerkster heeft zich aangemeld voor een onderzoek, een trial, om een middel te testen voor de omstreden ‘ziekte’ HSDD, verminderde lust bij vrouwen. Ze dreigde buiten het onderzoek te vallen doordat een ja op de vragenlijst had ingevuld die de begeleidend arts niet bevalt. Inmiddels heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg gezegd in dagblad Trouw dat zij wil nagaan of er bij het wetenschappelijke onderzoek naar een middel voor HSDD onregelmatigheden hebben voor gedaan.
Kortingen ziekenhuisapothekers
Voor ziekenhuisapotheken geldt in de toekomst het verbod op het aannemen van kortingen van farmaceuten niet, zoals dat voor gewone apotheken wel gaat gelden. En dat dat verstrekkende gevolgen heeft blijkt uit twee offertes van Astra Zeneca. De farmaceut geeft de ziekenhuisapotheker tot 99 procent korting bij afname van haar nieuwste pillen. Astra Zeneca hoopt hiermee dat wanneer de patiënt het ziekenhuis verlaat de huisarts het middel van het ziekenhuis overneemt
Artsenbezoeker
Een ander belangrijk marketinginstrument van de industrie is de artsenbezoeker.
In de tweede uitzending staat de artsenbezoeker centraal. Radar solliciteerde met de verborgen camera bij een detacheringbureau voor artsenbezoeker, of met een sjiek woord rayonmanager. Voordat we echt worden aangenomen moeten we eerst op een cursus.
Op deze cursus wordt uitgelegd wat de rol is van de artsenbezoeker binnen de farmaceutische industrie. Je hebt één doel, namelijk ervoor zorgen dat jouw product in de pen van de huisarts komt. Je moet ervoor zorgen dat de arts zo enthousiast wordt over jouw middel dat hij het in het FTO, dit is een regionaal overleg tussen huisartsen en apothekers, gaat promoten. Dan is de huisarts een ambassadeur.
De artsenbezoeker gebruikt allerlei cadeautjes (onder de 50 euro) om de arts te fêteren. Ook worden boeken gebruikt om ervoor te zorgen dat je bij de arts een praatje kan houden. De arts bestelt een boek, maar dat mag alleen persoonlijk afgegeven worden. Assistentes krijgen lipglossjes, tulpen, nietmachines, handcrème etc. om ervoor te zorgen dat ze een nieuwe afspraak voor je maken met de huisarts.
Alle informatie die de huisarts geeft over zijn voorschrijfbeleid wordt in een database opgeslagen. Zo weten andere artsenbezoekers hoe de arts over verschillende middelen denkt. Geeft de arts info over het FTO overleg, dan wordt dat doorgegeven aan de accountmanager die bij deze overleggen graag aanwezig wil zijn.
Duidelijk wordt op de cursus, maar ook als we bij een artsenbezoeker een dag stage lopen, dat het niet gaat om voorlichting maar om marketing. En tijdens de cursus wordt uitgelegd dat de buitendienst ervoor moet zorgen dat de industrie het geld dat ze gestoken hebben in innovatie van deze middelen, wordt terugverdiend met zo veel mogelijk winst.
Huisartsen menen vaak dat de artsenbezoekers geen invloed hebben op hun voorschrijfbeleid. Het instituut voor verantwoord medicijngebruik heeft echter aangetoond dat deze invloed wel degelijk bestaat. Ook het Nederlandse Huisartsengenootschap erkent dit en zij raden huisartsen aan om niet meer te ontvangen. Daarnaast pleiten zij voor onafhankelijke nascholing en voor meer controle door de Inspectie van Volksgezondheid.
Dat deze controle nodig is, blijkt wel als we met verborgen camera in de wachtkamer zitten op onze stagedag bij de artsenbezoeker. De artsenbezoeker licht patiënten voor over het ziektebeeld hoge bloeddruk en zegt dat dit 'een stille sluipmoordenaar' is. Daarna raadt zij hen meerdere malen aan om de bloeddrukverlader van haar bedrijf Boehringer Ingelheim te nemen, omdat dit middel volgens haar geen bijwerkingen heeft. Nefarma, de brancheorganisatie voor de farmaceutische industrie vindt deze actie verwerpelijk.
Reacties
Naar aanleiding van de uitzendingen over de farmaceutische industrie gaan PvdA-kamerlid Eelke van der Veen en SP-kamerlid Agnes Kant stappen ondernemen.
Farmaceutische bedrijven testen nieuwe geneesmiddelen steeds vaker op mensen in ontwikkelingslanden.
Dat is stukken goedkoper dan in het westen. Voor proefpersonen is het vaak de enige kans op behandeling of een manier om iets te verdienen. Maar verloopt het onderzoek wel op een ethische manier? En komt het medicijn erna ook ten goede aan de proefpersonen? Wemos zet zich in voor eerlijke medicijnen.
Inwoners van lagelonenlanden doen graag mee aan klinisch onderzoek. Ze kunnen er iets mee verdienen of hopen op genezing. Helaas is er in die landen nauwelijks toezicht op de navolging van internationale codes en richtlijnen. Daardoor zijn de rechten van proefpersonen niet gewaarborgd.
Medisch-ethische toetsingscommissies zijn onvoldoende georganiseerd. Ze keuren onderzoeksvoorstellen goed die niet aan de richtlijnen voldoen. Lokale artsen hebben er baat bij dat een patiënt deelneemt aan klinisch onderzoek. Ze verdienen hier vaak meer mee dan met hun reguliere baan. Informatie geven over de risico’s wordt dan al gauw achterwege gelaten.
Ieder land heeft de verplichting en de verantwoordelijkheid om de kwaliteit en veiligheid van klinisch onderzoek te waarborgen. Wemos werkt daarom samen met organisaties in Kenia en Bolivia om overheden, lokale zorgverleners en toetsingscommissies te informeren over richtlijnen voor goed klinisch onderzoek.
Nieuwe geneesmiddelen worden in Europa alleen tot de markt toegelaten als de testen zijn uitgevoerd volgens de Verklaring van Helsinki. Dit is de meest gezaghebbende ethische richtlijn voor medisch onderzoek met mensen. De informatie over de testen die farmaceutische bedrijven uitvoeren is echter niet openbaar. Dat maakt het uitoefenen van controle lastig. Zo kan het gebeuren dat oneerlijke medicijnen gewoon in Europese apotheken verkrijgbaar zijn.
Bron: Wemos.
Wemos wil bereiken:
* dat de Europese Commissie farmaceuten verplicht om de informatie over testen wél openbaar te maken;
* dat de Europese Commissie het toezicht op de toelating van nieuwe geneesmiddelen tot de Europese markt verscherpt.
Farmacotherapie op maat
Farmacotherapie op maat geeft een beschrijving van een praktische methode voor farmacotherapie op maat die aan de Faculteit Geneeskunde van de Rijksuniversiteit Groningen is ontwikkeld door de vakgroep Klinische Farmacologie in samenwerking met de Wereldgezondheidsorganisatie. Farmacotherapie heeft tot doel de optimale behandeling van patiënten met geneesmiddelen.
De kennis van ziekten en geneesmiddelen is de laatste decennia aanzienlijk gegroeid; dit resulteerde in een toename van het aantal geneesmiddelen. Daardoor is enerzijds therapie op maat beter mogelijk, anderzijds is het keuzeproces complexer geworden. Dat het moeilijk is farmacotherapie toe te passen, blijkt uit het feit dat het prescriptiebeleid voor verbetering vatbaar is en de collectieve kosten te hoog zijn. Formularia, protocollen en standaarden bieden weliswaar houvast, maar het persoonlijk oordeel van de arts over de toestand van elke individuele patiënt blijft altijd doorslaggevend.
Het boek bestaat uit 4 hoofdstukken
1) De basis: Dit hoofdstuk behandelt de interactie tussen patiënt en geneesmiddel, die de grondslag vormt voor de farmacotherapie op maat.
2) De voorbereiding: Dit hoofdstuk behandelt de manier waarop een persoonlijk formularium met basisgeneesmiddelen kan worden verkregen.
3) Het stappenplan: Dit hoofstuk beschrijft de behandeling van patienten met de basisgeneesmiddelen.
4) Casuïstiek: Aan de hand van twee voorbeelden wordt de methode geïllustreerd.
Doelgroep
Zowel nationaal als internationaal onderzoek heeft aangetoond dat studenten in de geneeskunde die deze methode hanteren in staat zijn farmacotherapie op maat te verzorgen, dit in tegenstelling tot studenten zijn volgens de traditionele methode van kennisoverdracht: deze moeten zicht tijdens de co-assistentschappen veelal tot een passieve rol beperken. Dit boek is dan ook primair geschreven voor studenten, en voor docenten die overwegen hun onderwijs in farmacologie en farmacotherapie te veranderen. Ook ervaren artsen kunnen dit boek gebruiken bij nascholingsactiviteiten en om hun voorschrijfgedrag te evalueren.
Auteur
Dr.R.H. Henning is werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen als Universitair hoofddocent Disciplinaire Klinische Farmacologie. Eveneens werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen is dr. TH.P.G.M. de Vries als Hoogleraar Afdeling Medische Farmacologie. Dr. L. van Bortel is werkzaam aan de Rijksuniversiteit Limburg als Hoogleraar Farmacotherapie.
Bestel via de link:
Proeftuin Farmacie Groningen
De keuze voor een geneesmiddel is onderhevig aan allerlei krachten. We weten niet precies waarom artsen bepaalde geneesmiddelen wel en andere weer niet voorschrijven. We weten wèl dat het niet alleen maar een rationeel proces is.
De Proeftuin Farmacie Groningen stimuleert in de regio de samenwerking tussen verschillende partijen op het gebied van farmacotherapie. Doel van de Proeftuin is het bevorderen van kwaliteit en doelmatigheid in het voorschrijven, afleveren en gebruik van geneesmiddelen.
Deelnemende partijen in de Proeftuin zijn: alle ziekenhuizen, de patiëntenorganisaties, huisartsen, verpleeghuisartsen, specialisten en apothekers uit de provincie Groningen en zorgverzekeraar Menzis.
Aanleiding voor de werkzaamheden van de Proeftuin is de kostenstijging van de geneesmiddelen. Jaarlijks stijgen de geneesmiddelenkosten procentueel gezien veel sneller dan het totale budget voor gezondheidszorg. Het is de verantwoordelijkheid van alle partijen in de gezondheidszorg om een kwalitatief goede, maar ook betaalbare geneesmiddelenvoorziening in stand te houden.
Farmaceutische industrie mag verpleegsters geen gratis reis naar Barcelona aanbieden. Zij behoren tot de categorie "publiek".
Advies Codecommissie CGR 24 april 2007
1. Het verzoek van X:
X heeft het voornemen om het bezoek van z-verpleegkundigen aan de European Z Conference, te stimuleren door het ter beschikking stellen van een zogenaamde “educational grant”. Het congres zal plaats hebben in Barcelona gedurende 5 dagen in september 2007. De educational grant houdt in dat X de reis-, verblijf- en deelnamekosten van in totaal EUR 1105,-- per verpleegkundige betaalt en de verpleegkundige zelf een eigen bijdrage van EUR 125,-- voldoet.
X vraagt te beoordelen of zij met recht tot de conclusie is gekomen dat, door het zuiver educatieve en wetenschappelijke karakter, een educational grant niet kan leiden tot geneesmiddelenreclame en daarom geoorloofd is onder de huidige regelgeving. Indien deze vraag negatief wordt beoordeeld, wenst X te vernemen of het een verschil maakt indien de educational grant zou worden beperkt tot een maximumbedrag van EUR 500,-- of tot 50% van de reis-/verblijf- en registratiekosten zoals voor beroepsbeoefenaren wordt gehanteerd.
2. Het oordeel van de Codecommissie:
Blijkens artikel 12 van de Gedragscode Geneesmiddelenreclame dragen vergunninghouders er zorg voor dat bij het verlenen van gastvrijheid aan beroepsbeoefenaren in het kader van samenkomsten de gastvrijheid binnen redelijke grenzen blijft en ondergeschikt is aan het met de samenkomst beoogde doel. In het onderhavige geval echter, ziet de gastvrijheid niet op beroepsbeoefenaren, maar op verpleegkundigen.
Volgens de Gedragscode Geneesmiddelenreclame worden uitsluitend personen die een wettelijke bevoegdheid hebben tot het voorschrijven en afleveren van geneesmiddelen als “beroepsbeoefenaar” aangemerkt. Personen die uit andere hoofde beroepsmatig zijn betrokken bij de verstrekking van geneesmiddelen (zoals (gespecialiseerde) verpleegkundigen) vallen niet onder deze definitie. Zij behoren bijgevolg tot de categorie “publiek”. Op grond van artikel 3 van de Code voor de Publieksreclame voor Geneesmiddelen, is reclame voor receptgeneesmiddelen gericht op het publiek, verboden. Onder reclame dient tevens ‘gastvrijheid en sponsoring van samenkomsten’ te worden begrepen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ter beschikking stellen van een grant aan verpleegkundigen zoals hierboven omschreven, in strijd is met de Gedragscode Geneesmiddelenreclame. Het maakt daarbij geen verschil indien de educational grant zou worden beperkt tot een maximumberag van EUR 500,-- of tot 50% van de reis-/verblijf- en registratiekosten, zoals voor beroepsbeoefenaren wordt gehanteerd.
X heeft in haar brief aan farmaceutisch bedrijf Y van 12 april 2007, die de Codecommissie ook is toegezonden, verwezen naar de Gedragsregels sponsoring patiëntenorganisaties. De Codecommissie kan X hierin niet volgen. Verpleegkundigen kunnen niet met een patiëntenorganisatie op één lijn worden geplaatst.
De Codecommissie komt daarom tot een negatief advies.
3. De kosten:
De Codecommissie bepaalt dat de aan deze adviesaanvraag verbonden kosten separaat aan X in rekening zullen worden gebracht.
Aldus gedaan te Gouda op 24 april 2007 door mr. P.A. Offers, voorzitter
Krijgt u niet de medicijnen waar u recht op heeft?
Bent u van mening dat u bepaalde geneesmiddelen ten onrechte niet vergoed krijgt? Of wordt u op een andere manier benadeeld door uw zorgverzekeraar? Neemt u dan contact op met de helpdesk van de Stichting Eerlijke Geneesmiddelvoorziening: 'Zorg in Evenwicht' Een deskundig team van advocaten en (juridisch) medewerkers beantwoordt uw vragen, ondersteunt u in uw contact met uw zorgverzekeraar en procedeert zo nodig in onacceptabele situaties. De kosten voor dergelijke juridische procedures komen voor rekening van de EGV.
De helpdesk is van maandag tot en met vrijdag tussen 9.00 en 17.30 uur bereikbaar op telefoonnummer 010-4800942.
U kunt ook een e-mail sturen naar helpdesk@kienlegal.nl
De voorzitter van de Stichting EGV, de heer drs. Kees van Bezooijen, heeft eind 2008 de Prof.dr. P. Muntendamprijs gewonnen. Deze onderscheiding wordt ieder jaar toegekend door de KWF Kankerbestrijding aan personen die bijzondere verdiensten hebben verricht voor de kankerbestrijding in Nederland. De heer Van Bezooijen heeft de prijs gekregen om zijn vastberadenheid en inzet om innovatieve en vaak kostbare geneesmiddelen beschikbaar te krijgen voor kankerpatiënten. De prijs bestaat uit een oorkonde met legpenning en er is een bedrag van € 50.000 beschikbaar gesteld ten behoeve van een doel binnen de kankerbestrijding
Online medicijnen bestellen?
Let op! De inspectie van de Gezondheidzorg waarschuwt voor aankoop van medicijnen via internet. De inspectie benadrukt dat alleen geregistreerde geneesmiddelen mogen worden verkocht die een arts heeft voorgeschreven. Geneesmiddelen zijn gevaarlijke stoffen. Het gebruiken van een geneesmiddel dat gekocht is via advertentiesites kan gezondheidsschade veroorzaken.
Apotheek
Op apotheek.nl kunt u terecht voor betrouwbare informatie over medicijnen die uw arts u voorschrijft en over medicijnen die u zonder recept kunt kopen. Klik hier
Voor onafhankelijke geneesmiddelen informatie voor professionals in de zorg
|
Farmacie is de wetenschap van de farmaca, ook geneesmiddelen of medicijnen genoemd. Het Griekse woord pharmacon betekent geneeskrachtige stof of geneesmiddel. Een farmaceut is een beoefenaar van de farmacie. Een apotheker is dus per definitie een farmaceut. Een apotheker heeft echter een vervolgopleiding gedaan na de doctoraalstudie farmacie aan een universiteit en is als zodanig ook geregistreerd in het BIG-register. Niet iedere farmaceut is dus apotheker.
|
Een geneesmiddel (ook farmacon of medicijn) is een chemische stof die een bepaalde, gewenste werking op het (dierlijk of menselijk) lichaam uitoefent. De wetenschap van de geneesmiddelen heet farmacologie of geneesmiddelenleer. Het voorschrijven van geneesmiddelen wordt ook wel farmacotherapie of geneesmiddelentherapie genoemd.
|
In de Europese richtlijn (2001/83/EG) wordt volgende definitie gegeven: "Geneesmiddel: elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens of elke enkelvoudige of samengestelde substantie die bij de mens kan worden gebruikt of aan de mens kan worden toegediend om hetzij fysiologische functies te herstellen, te verbeteren of te wijzigen door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen, hetzij om een medische diagnose te stellen” (nieuwe definitie ingevoerd door de Europese richtlijn 2004/27/EG van 31 maart 2004)
Volgens deze wettelijke definitie hoeft een geneesmiddel dus niet altijd te genezen.
De volgende middelen vallen onder de definitie van geneesmiddel:
 middelen met een therapeutische (genezende) werking - bv. een antibioticum;
 middelen met een profylactische (voorkomende) werking - bv. een anti-malaria middel;
 middelen die dienen om een diagnose te stellen - bv. een oogdruppel die door de oogarts tijdens spreekuur wordt gebruikt;
middelen die dienen om fysiologische functies bij de mens te herstellen, verbeteren of wijzigen - bv. een middel dat gebruikt wordt bij te hoog cholesterol of te hoge bloeddruk;
Onderzoek van ondeugdelijke geneesmiddelen
Als er problemen met geneesmiddelen zijn, kan het RIVM door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) worden gevraagd om deze te analyseren. Vaak gaat het daarbij om geneesmiddelen die niet via de normale procedures op de Nederlandse markt zijn gekomen, zoals illegale producten, vervalsingen en ondeugdelijke voeding.
|
Fabrikant Zyprexa plaatst ernstige waarschuwing in bijsluiter
Bron: Reformatorisch Dagblad 2007
De fabrikant van Zyprexa (Eli Lilly) heeft een erstige waarschuwing geplaatst in de bijsluiter van het antipsychotische medicijn Zyprexa, een psychiatrisch medicijn dat wordt voorgeschreven aan mensen met schizofrenie en mensen met een bipolaire stoornis.
Volgens de fabrikant hebben patiënten die het middel gebruiken een sterke neiging tot ernstige gewichtstoename, een verhoogd cholesterolgehalte, een verhoogd bloedsuikerniveau en andere stofwisselingsproblemen. Het is de eerste keer dat Lilly openlijk toegeeft dat Zyprexa meer ernstige bijwerkingen veroorzaakt dan andere antipsychotische medicijnen voor schizofrenie.
Al langer zijn psychiatrisch artsen bezorgd over de bijwerkingen van Zyprexa. Uit de praktijk is bekend dat patiënten die Zyprexa gebruiken binnen twee jaar enorm in gewicht toenemen. De nieuwe bijsluiter vermeldt dat één op de zes patiënten na twee jaar meer dan 16 kilo is aangekomen.
Volgens The New York Times weet Lilly al jaren van de mogelijk fatale risico’s op overgewicht en een verhoogd bloedsuiker (diabetes), maar heeft het die gebagatelliseerd. Ook zou het bedrijf psychiatrisch artsen hebben gestimuleerd het middel voor te schrijven aan patiënten die niet zijn gediagnosticeerd met schizofrenie of een bipolaire stoornis. Het psychiatrische medicijn Zyprexa is alleen toegelaten voor de behandeling van schizofrenie en een bipolaire stoornis, maar psychiaters zijn vrij het ook bij andere psychische aandoeningen voor te schrijven.
In de Verenigde Staten is de verkoop van Zyprexa de afgelopen jaren gedaald maar de inkomsten zijn op peil gebleven doordat Eli Lilly de prijzen heeft verhoogd.
Psychiatrie: wetenschappelijke onvolledigheid in beeld gebracht
Door Wim J. van der Steen
Per jaar verschijnen in de geneeskunde meer dan twee miljoen wetenschappelijke artikelen. Het vóórkomen van onvolledigheid in artikelen, en in handboeken, is dan ook niet verbazingwekkend. Soms is de onvolledigheid structureel. Dat is zorgwekkend. Ik stel hier structurele onvolledigheid in de psychiatrie aan de orde. De thema’s die ik bespreek schitteren door afwezigheid in Hengeveld & Van Balkom (2006), een Nederlands leerboek psychiatrie, geschreven door kopstukken in het vakgebied.
Laat ik beginnen met voeding. Al lang is bekend dat de gemiddelde Westerse voeding in zoverre niet optimaal is dat daarin bepaalde vetzuren, omega-3 vetzuren, en vitamines zoals B6, B12 en foliumzuur vaak niet voldoende aanwezig zijn. De oorzaak daarvan is gelegen in ons landbouwbeleid. Onze landbouwhuisdieren krijgen eenzijdig voedsel, wij dus ook voorzover we vlees van de dieren eten (Van der Steen en Hoomans, 2004).
Tekorten aan omega-3 vetzuren in het lichaam zijn geconstateerd bij allerlei ziektebeelden, vooral neurologische aandoeningen en psychiatrische stoornissen. Het laatste is begrijpelijk, want de vetzuren zijn een belangrijk bouwstof van onze hersenen (Yehuda & Mostofsky, 1997). Ze hebben bij psychiatrische stoornissen therapeutische waarde (Van der Steen, Ho & Karmelk, 2003; meer recente bronnen zijn te vinden in Van der Steen, 2007, hoofdstuk 4.3). Dit geldt ook voor de genoemde vitamines (voor bronnen, zie Van der Steen, 2007, zelfde hoofdstuk). Bij schizofrenie speelt vermoedelijk ook vitamine B3 een belangrijke rol (Foster, 2003).
De tekorten beïnvloeden ons immuunsysteem negatief. Bij psychiatrische stoornissen is dan ook herhaaldelijk een gestoorde immuunfunctie geconstateerd en chronische infecties, bijvoorbeeld infecties met Herpes of Toxoplasma, komen bij de stoornissen regelmatig voor (voor bronnen, zie Van der Steen, 2007, hoofdstuk 10.4).
Belangrijk is hier dat tussen het immuunsysteem en ons geestelijk welbevinden een nauwe samenhang bestaat. Die wordt onderzocht in het vakgebied psychoneuroimmunologie, een vakgebied dat in de Codex Medicus merkwaardigerwijs nergens wordt genoemd.
Storingen in dagnachtritmes spelen bij veel ziektebeelden, waaronder psychiatrische stoornissen, ook vaak een rol. De geneeskunde negeert dit gegeven meestal, terwijl biologen er al tientallen jaren onderzoek over doen (zie bijvoorbeeld Halberg et al., 2003; Koukkari & Sothern, 2006; Van der Steen & Ho, 2006 a en b; Van der Steen, 2007, hoofdstuk 8). Belangrijk is hierbij dat lichtvervuiling in onze cultuur de ritmiek in de war kan sturen. Dit komt doordat blauw licht, en dus ook wit licht, waar blauw in zit, leidt tot afbraak van melatonine, het ritmiekhormoon. Rood licht doet dit niet.
Het is daarom wijs om bij slapeloosheid ’s nachts een zaklamp met rood licht te gebruiken. Met gewoon licht houd je de slapeloosheid in stand. Daar komt bij dat verstoring van de melatoninebalans nog meer negatieve effecten heeft. Melatonine heeft namelijk ook een krachtige antioxidantwerking. Verkeerd licht ontregelt daardoor het immuunsysteem.
Dagnachtritmes hebben voor medische behandelingen veelsoortige gevolgen. De invloed van medicijnen hangt bijvoorbeeld sterk af van het tijdstip waarop je ze inneemt. De waarde van onderzoek over de effecten van medicijnen is dan ook beperkt als de onderzoekers geen rekening houden met ritmiek. Ze doen dit zelden of nooit.
In onderzoek over medicijnen worden meestal patiënten die het te bestuderen middel krijgen vergeleken met patiënten die een placebo krijgen, een stof zonder geneeskrachtige werking. Ideaal is een opzet waarbij de patiënten en de behandelaars niet weten wie het echte middel krijgt en wie de placebo. Een probleem daarbij is dat medicijnen bijwerkingen hebben en gewone placebo’s niet. Daardoor kunnen de patiënten vaak merken of ze het echte middel krijgen, iets wat de resultaten van het onderzoek vertekent. Nog idealer is dan ook een opzet met een placebo die ook bijwerkingen heeft, een zogenoemde actieve placebo.
Bij onderzoek over antidepressiva werden vaak positieve effecten gerapporteerd bij gebruik van gewone placebo’s. Bij gebruik van actieve placebo’s bleef van het effect weinig of niets over (zie bijvoorbeeld Greenberg & Fisher, 1997; Shapiro & Shapiro, 1997; Kirsch & Sapirstein, 1999; Kirsch et al., 2002; Van der Steen, Ho & Karmelk, 2003, hoofdstuk 4). Dit alleen al maakt het gebruik van de middelen dubieus; psychotherapie is vaak een betere optie. Er komt bij dat de bijwerkingen van de middelen soms ronduit verschrikkelijk zijn (Healy, 2002, 2004; Medawar & Hardon, 2004). Healy maakt bijvoorbeeld aannemelijk dat het gebruik van Prozac voor 2004 leidde tot meer dan 20.000 zelfmoorden. Er worden al met al veel te veel psychofarmaca geslikt (Van der Steen, 2003).
De farmaceutische industrie speelt hierbij een niet al te frisse rol (zie ook Bouma, 2006; Moynihan & Cassels, 2006). Vervelend is niet in het minst dat tegenwoordig de helft van de wetenschappelijke artikelen over medicijnen worden geschreven door ghostwriters betaald door de industrie (Krimsky, 2003; Healy, 2004).
Gangbaar is tegenwoordig de veronderstelling dat psychiatrische stoornissen voor een belangrijk deel erfelijk bepaald zijn. Dat kan patiënten het machteloze gevoel geven dat er tot op zekere hoogte niets aan is te doen. De veronderstelling is echter wetenschappelijk dubieus (Van der Steen, 1999; Joseph, 2003; Read, Mosher & Bentall, 2004). Een van de vele problemen bij het onderzoek is dat psychiatrische stoornissen niet goed zijn gedefinieerd; DSM, de classificatiebijbel van de psychiaters, is wetenschappelijk ondeugdelijk (Boyle, 2002). Het is dan ook onwenselijk om mensen etiketten op te plakken zoals “schizofreen”. De aandacht zou niet moeten uitgaan naar DSM-ziektebeelden maar naar symptomen. Daarbij moeten we ons realiseren dat veel van de symptomen die zouden wijzen op een stoornis, bijvoorbeeld het horen van stemmen in het hoofd, ook bij veel “gewone” mensen voorkomen.
Hoe moet het verder met de psychiatrie? We kunnen alleen maar hopen dat psychiaters in onderzoek en in de praktijkmeer aandacht gaan geven aan de thema’s die ik noemde. Ondertussen kunnen patiënten zelf een en ander uitproberen. Aan te bevelen is bijvoorbeeld het gebruik van visoliecapsules (bron van omega-3 vetzuren) en homocysteïnemodulatoren (bevatten vitamines B6, B12 en foliumzuur). Het gebruik van een zaklamp met rood licht in de nacht is ook het proberen waard. Wellicht hebben sommigen psychofarmaca nodig. Gebruik ze liever niet als het niet strikt nodig is.
Literatuur
 Bouma, J. (2006). Slikken. Hoe ziek is de farmaceutische industrie? Amsterdam & Antwerpen: L.J. Veen.
 Boyle, M. (2002). Schizophrenia: a scientific delusion?, tweede druk. Hove, East Sussex: Routledge.
 Foster, H.D. (2003). What really causes schizophrenia. Victoria, B.C.: Trafford Publishing.
 Greenberg, R.P., and Fisher, S. (1997). Mood-mending medicines: probing drug, psychotherapy, and placebo solutions. In: Fisher, S. & Greenberg, R.P. (eds.), From placebo to panacea: putting psychiatric drugs to the test, pp. 115-172. New York: John Wiley & Sons.
 Halberg, F., Cornélissen, G., Katinas, G., Syutkina, E.V., Sothern, R.B., Zaslavskaya, R., Halberg, F., Watanabe, Y., Schwartzkopff, O., Otsuka, K., Tarquini, R., Frederico, P. & Siggelova, J. (2003). Transdisciplinary unifying implications of circadian findings in the 1950s. Journal of Circadian Rhythms, 1: 2; doi: 10.1186/1740-3391-1-2.
 Healy, D. (2002). The creation of psychopharmacology. Cambridge, Mas-sachusetts: Harvard University Press.
 Healy, D. (2004). Let them eat prozac: The unhealthy relationship between the pharmaceutical industry and depression. New York & Londen: New York University Press.
 Hengeveld, M.W. & Van Balkom, A.J.L.M. (red.) (2006). Leereboek psychiatrie. Utrecht: De Tijdstroom.
 Joseph, J. (2003). The Gene Illusion. Genetic Research in Psychiatry and Psychology Under the Microscope. Ross-on-Wye: PCCS Books.
 Kirsch, I., & Sapirstein, G. (1999). Listening to Prozac but hearing placebo: a meta-analysis of antidepressant medication. In: Kirsch, I. (ed.), How expectancies shape experience, pp. 303-320. Washington, D.C.: American Psychological Association.
 Kirsch, I., T.J. Moore, A. Scoboria and S.S. Nicholls (2002). The emperor’s new drugs: an analysis of antidepressant medication data submitted to the U.S. Food and Drug Administration. Prevention and treatment, 5: 15 July.
 Koukkari, W.L. & Sothern, R.B. (2006). Introducing biological rhythms. New York: Springer.
 Krimsky, S. (2003). Science in the private interest: Has the lure of profits corrupted biomedical research? Lanham, Maryland: Rowman & Littlefield.
 Medawar, C. & Hardon, A. (2004). Medicines out of Control? Antidepressants and the Conspiracy of Goodwill. Amsterdam: Aksant.
 Moynihan, R. & Cassels, A. (2006). Allemaal aan de medicijnen. Hoe de farmaceutische industrie van iedere consument een patiënt probeert te maken. Rijswijk: Elmar. Vertaling van Drug companies are turning us all into patients (2005). Crows Nest: Allen & Unwin.
 Read, J., Mosher, L.R. & Bentall, R.P. (2004). Models of Madness. Psychological, Social and Biological Approaches to Schizophrenia. Hove and New York: Brunner-Routledge.
 Shapiro, A.K. & Shapiro, E. (1997). The placebo: is it much ado about nothing? In: Harrington, A. (ed.), The placebo effect: an interdisciplinary exploration, pp. 12-36. Cambridge, Massachusetts: Harvard University Press.
 Van der Steen, W.J. (1999). Bias in behavior genetics: An ecological perspective. Acta Biotheoretica, 46, 369-377.
 Van der Steen (2007, verschijnt november). Nieuwe wegen voor de geneeskunde. Amsterdam: SWP.
 Van der Steen, W.J. (2003). Assessing overmedication: biology, philosophy and common sense. Acta Biotheoretica, 51, 151-171.
 Van der Steen, W.J. & Ho, V.K.Y. (2006a). De polsslag van de tijd: biologische klok heeft verreikende implicaties voor de geneeskunde. Medisch Contact, 61, 146-148.
 Van der Steen, W.J. & Ho, V.K.Y. (2006b). Diets and circadian rhythms: challenges from biology for medicine. Acta Biotheoretica, 54, 267-275.
 Van der Steen, W.J. & Hoomans, J. (2004). Zwerven door het achterland van de geneeskunde. I. Geneeskunde tussen geleerdheid en gezond verstand. Budel: Damon.
 Van der Steen, W.J., Ho, V.K.Y. & Karmelk, F.J. (2003). Beyond boundaries of biomedicine: Pragmatic perspectives on health and disease. Amsterdam: Rodopi.
 Yehuda, S. & Mostofsky, D.I. (eds.) (1997). Handbook of essential fatty acid biology: biochemistry, physiology, and behavioral neurobiology. Totowa, New Jersey: Humana Press.
De auteur is emeritus hoogleraar biologie en wijsbegeerte. Zijn adres: Maluslaan 3, 1185 KZ Amstelveen, tel. 020-6450419 / 06-11180922, E-mail: wimvandersteen@orange.nl.
De lobby van de Farmaceutische Industrie
De Farmaceutische industrie behoort tot de meest succesvolle bedrijfstakken ter wereld.
In 2004 was de totale winst van slechts 10 farmaceutische bedrijven samen even hoog als die van 490 andere bedrijven samen in de top 500 van de Amerikaanse bedrijven. De farmaceutische bedrijven wekken de indruk dat zij hun winst hard nodig hebben voor het ontwikkelen van nieuwe medicijnen. Niets is minder waar. Het grootste deel van de nieuwe medicijnen wordt in eerste instantie ontwikkeld in universiteiten en wordt overgenomen door bedrijven als er geld mee te verdienen is. Het grootste deel van hun geld besteden de farmaceutische bedrijven aan juridische kosten om patenten te verlengen en aan marketing. "Ondanks pogingen van bijvoorbeeld de Stichting Code Geneesmiddelenreclame om deze marketing aan banden te leggen, kan dit nog steeds groteske vormen aannemen", aldus dr Anne Speckens, psychiater in een inaugurele rede (bij het aanvaarden van het ambt van Hoogleraar Psychiatrie op 21 april 2006).
Dr Anne Speckes vertelt over een aanbod van de Farmaceutische industrie van een bijdrage van 500 euro voor het bezoeken van een congres (inclusief vliegreis met KLM, een pittoresk hotel in het stadcentrum en een citytour). Het vergoeden van alle kosten voor het bijwonen van het congres van de American Psychiatric Association als tegenprestatie voor het kond doen van een verslag van het congres per teleconferentie aan Nederlandse collega psychiaters.
Het ontvangen van 20.000 euro per patient als deze kunnen worden overgehaald tot het meewerken aan een door de Farmaceutische industrie opgezet geneesmiddelenonderzoek. En tenslotte 140.000 euro als gift bij een willekeurig onderzoek, als het maar over Efexor (antidepressivum) gaat.
"Geen wonder dus dat depressieve patienten pillen aangeboden krijgen in plaats van praten".
NOVA
02-12-2006
Ten onrechte in de isoleercel
In Nederland worden per jaar zo'n achttienduizend psychiatrische patiënten opgesloten in de isoleercel: een kale ruimte met alleen een plastic matras. Bij duizenden patiënten is dat ten onrechte.
Daarmee overtreden de klinieken de wet. Bijvoorbeeld omdat psychiatrische patiënten al meteen bij binnenkomst worden geïsoleerd. Of omdat ze straf krijgen omdat ze overlast veroorzaken. Terwijl de regels voorschrijven dat isoleren alleen bij acuut gevaar voor de patiënt zelf of zijn of haar omgeving is toegestaan. In NOVA een uitgebreide reportage.
|

Tip
Als u beginnende psychische problemen heeft (moe, lusteloos, slechte relatie, piekeren, onzekerheid, slapeloosheid, angst, gespannen, enz.) en kennelijk fit genoeg bent om op deze site te surfen, adviseert het Meldpunt Medische Fout u op verzorgde wellness vakantie te gaan naar een warm land met een reisorganisatie. Het is een gemakkelijk excuus om te zeggen dat u geen geld heeft voor vakantie, want vakanties zijn er in elke prijsklasse en u krijgt betere service en u wordt prettiger bejegend in een hotel dan door het personeel van een PAAZ afdeling in een ziekenhuis. Er bestaan geen testen voor het meten van een psychische ziekte. De diagnose is gebaseerd op de persoonlijke mening van de psychiater en de verpleegsters over u. Het woord van de psychiater is voldoende om u geestesziek te verklaren en te beroven van uw grondrechten, ook al bent u mentaal gezond..........u wordt vanzelf wel ziek als u tussen gestoorden wordt opgesloten. Dus neem bij stress vakantie!
|
Zinloos lijden? (Visie van Jan Vanhaelen, ervaringsdeskundige)
Achttien jaar geleden, in 1987, kreeg ik ten gevolge van verkeerde 'diagnose' en verkeerde 'medicatie' een 'farmacogene depressie'. Dat wil zeggen: een 'depressie' veroorzaakt door 'geneesmiddelen'. Dertien maanden was ik werkonbekwaam en op ziekteverlof. Bijna drie maanden was ik 'vrijwillig' opgenomen in een psychiatrische instelling.
Vijf jaar nadien werd mijn boek 'Sarah' gepubliceerd waarin ik deze geschiedenis vertel. Tot dan had ik alle details van die moordende periode haarscherp in mijn geheugen opgeslagen. Meer dan twee honderd keer heb ik mijn verhaal mogen mee-delen : in vele tientallen artikels en studies (met in totaal verscheidene miljoenen oplage), op radio, tv en in lezingen, voor meerdere honderdduizenden kijkers en toehoorders.
Dit verhaal over de zin van het lijden is voldoende bekend. Je vindt het terug in het boek 'Waarom jij, Sarah' en in het 'Witboek'.
Wanneer je me vandaag vraagt mijn getuigenis in een paar bladzijden samen te vatten, dan is dat voor mij tegelijk een gemakkelijke en een moeilijke opdracht. Gemakkelijk, omdat ik al dertien jaar, sinds de publicatie van het boek 'Sarah' elke dag getuigenis afleg en ik alle aspecten ervan grondig doorleefd beheers, omdat dit een getuigenisdossier geworden is, dat elke dag nog peilt naar de zin en de onzin van het bestaan. En omdat ik dat lijden bijna elke dag weer opnieuw toets aan het lijden van anderen.
Ingrijpend is deze grote nachtmerrie in mijn leven wel geweest. Alhoewel ik altijd sociaalvoelend en actief geweest ben, heeft deze levensgebeurtenis me meer beïnvloed dan gelijk wat anders. Het heeft een bijkomende, vervolledigende dimensie gegeven aan mijn toch al rijk gevuld en wondermooi menselijk bestaan.
Niet dat ik leef in een wonderwereld, ver van daar. Zoals iedereen hebben wij ons deel gehad zowel van vreugde als van pijn en leed. Zeker niet minder dan de gemiddelde burger. Maar wat ik meemaakte, en vooral de ontmoeting met mensen zoals 'Sarah' en met zo velen na haar, heeft me gemotiveerd en geeft me elke dag weer de zin om me blijvend in te zetten. Voor de armsten onder de armen, de zwaksten onder de zwakken, de meest verworpen mensen in dit land.
De afbouw van de medicatie-cocktails heeft me gered van een gewisse dood of van een jarenlang leven als een dode, een zombie, in de ellendigste omstandigheden. Mijn ervaring is dat een bedelaar in Moskou, die doodvriest op de stoep van het metro-station, of de landloze boer in Brazilië of de armen met wie ik in de favella's verbleef, er beter aan toe zijn dan ikzelf toen ik 'onder psychiatrische medicatie' stond.
Door de afbouw ervan herwon ik een fractie van mijn mogelijkheden. Met dat splintertje energie heb ik gevloekt, geroepen en geschreeuwd om er me uit te halen. Door verdere afbouw raakte ik van de verschrikkelijke nevenwerkingen van de medicatie en van de 'depressieve symptomen' af. Handoplegging, acupunctuur, homeopathie en chiropraxie volstonden ruimschoots om de schade van de psychomedicatie voor tachtig procent ongedaan te maken. Ik nam opnieuw mijn eigen lot in handen en ging me bezinnen over dit avontuur en over wat ten grondslag ligt aan de zware dysfunctie van onze geestelijke gezondheidszorg en psychiatrie in Vlaanderen en in de rest van de wereld.
In de psychiatrische instelling zijn mijn ogen opengegaan. In de eerste jaren nadien legde ik de puzzel samen. Na Sarah's dood (1996) leerde ik, in een poging om een georganiseerde beweging op gang te brengen, hoe diep vertakt de onzin van het lijden in mens en systeem verweven zit in onze cultuur. Vanaf eind 1998 tot nu (2005) ben ik - samen met vele anderen - gaan inzien, dat alleen het op gang brengen van een maatschappelijke mentaliteitsverandering de mogelijkheid biedt om deze samenleving meer psychosociaal en cultureel welzijn en een betere geestelijke gezondheid te brengen.
Als je wereld in elkaar stuikt, als je niets meer ziet rondom je, geen toekomst meer, geen leven, dan heeft dat meestal NIET met ziekte te maken. Er zijn honderden oorzaken, samenloop van omstandigheidsfactoren, mogelijke verwikkelingen die 'depressieve' toestanden kunnen teweegbrengen. Bij alle 'psychische' problemen heb je te maken met vormen van 'depressie'. Ziekte, verlies, trauma's kunnen hoofdoorzaak zijn. Maar buiten de individuele draagkracht, het 'zelfhelend' vermogen, de dynamiek van ieder afzonderlijk, hangt het af van de cultuur en de mensen om je heen, de heersende opvattingen over leven en dood, werk en rust, bezitten en delen, en nog zoveel meer, of je het haalt of niet.
Voor mij, zoals voor zovele tienduizenden in de voorbije achttien jaar, heeft de psychiatrische instelling ont-menselijkend gewerkt. Ik verwijt niets aan de hulpverleners. Ik zoek geen schuldigen. Dat het fout gaat, dat dit systeem wereldwijd meer slachtoffers maakt dan de ergste tsunami , is een zaak van de westerse maatschappij, een kwestie van gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Maar het is niet omdat de totaalbalans zo zwaar negatief is, dat dit niet zou kunnen veranderen.
Eigenlijk wou ik getuigen, vertellen wat er gebeurd is. Zoals ik al een paar honderd keer deed. En steeds opnieuw, ook nu weer, stel ik vast dat 'getuigen' betekent 'in opstand komen', "se révolter". Niet tegen mensen, maar tegen systemen die zichzelf voeden, tot monstergedrochten uitgroeien. Die de mens in je doden. Leven en dood zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Maar dan wel alles op zijn tijd!
Jan Vanhaelen
5 februari 2005
Hoe ziek is de farmaceutische industrie?
Pijnpillen, prullenbakartsen en industriehoeren
Publicatie: Nr. 10 - 10 maart 2006 Medisch Contact/Artsennet
Rubriek: Scoop - Boeken
Heel ziek, dat is het antwoord dat de lezer van Slikken, hoe ziek is de farmaceutische industrie? wel móet geven.
Het boek van onderzoeksjournalist Joop Bouma van Trouw is verschenen op 10 maart 2006
Bestel via de link:
Natuurlijk, het is allemaal bekend. Meer geld voor marketing dan voor onderzoek. Hoge kortingen (tot wel 100 procent) aan ziekenhuisapotheken voor specialités om de patiënt van het generieke middel af te krijgen. Het in de markt zetten van me too's. Skiën, golfen en duiken op kosten van de industrie. Symptoomreclame om patiënten te creëren. Patiëntenverenigingen sponsoren om een aandoening op de kaart te krijgen. Farma's dikke vinger in de pap van het wetenschappelijk onderzoek. Big pharma heet het in het Engels. Toch valt je mond regelmatig open van de voorbeelden die Bouma de revue laat passeren. En, het zijn bijna allemaal voorbeelden uit Nederland.
Een aantal voorbeelden van Bouma verrast niet. Uiteraard beschrijft hij de opkomst en ondergang van de pijnpil Vioxx, tekent hij op hoe Losec tegen het aflopen van het patent verandert in Losec-mups en weer later wordt omgetoverd in Nexium en verhaalt hij van de onenigheid tussen het Nederlands Huisartsen Genootschap en aan de industrie gelieerde psychiaters over de multidisciplinaire depressie-richtlijn. Daarnaast belicht het boek aspecten van de farmaceutische industrie die wellicht minder bekend zijn. Bouma geeft een inkijkje in de lobbypraktijk op Europees niveau die ertoe leidt dat er toch geen verkorting van de patenten voor nieuwe geneesmiddelen komt.
Bouma doet aan farmabashing. Maar de industrie is niet de enige die ervan langs krijgt. Ook artsen moeten het ontgelden. Artsen verdienen een zakcentje, schrijft Bouma, door mee te doen aan seeding trials, hij laat zien hoeveel geld opinieleiders van farmaceutische bedrijven krijgen en wat zij daarvoor doen, hij citeert een naïeve arts die zich in de watten laat leggen, maar volhoudt dat het fêteren geen effect heeft op het voorschrijfgedrag. Vervolgens haalt hij de studies aan die het tegendeel aantonen.
Fascinerend is de strategie van farmaceutische bedrijven met hun artsenbezoekers. De bliksembezoekjes met 'spiegeltjes en kraaltjes' voor de assistenten en de fraaie overdrukjes van gunstige studies zijn algemeen bekend. Maar beseffen artsen ook dat die mooie jonge dame een profiel van hen maakt? 'Ik moest zien na te gaan hoeveel patiënten met hoge bloeddruk zijn praktijk had en wat zijn standaardbehandelwijze was', vertelt een ex-artsenbezoeker in Slikken. Als je dat wist, kon een collega daar weer zijn voordeel mee doen. Al die gegevens legde je vast. Ook als je toevallig wist wanneer hij jarig was. Bij een verjaardag liet je een taart brengen.'
Gerritsen had ook enkele 'prullenbakartsen'. Dit zijn artsen die de reclames van concurrenten opsparen, zodat haar firma daarop kon anticiperen. En degene die uit eigen beweging in de achterbak van de leaseauto komt kijken voor snuisterijen heet in het artsenbezoekersjargon een 'industriehoer'.
In het laatste hoofdstuk - over de opkomst en ondergang van het reclametoezicht door de Inspectie voor de Gezondheidszorg - krijgt de overheid een veeg uit de pan. Voormalig inspecteur-generaal Herre Kingma blijft niet buiten schot. Bouma schrijft tussen de regels dat het conflict tussen Kingma en inspecteur reclametoezicht Hans Tersteege over een gepland bezoek van de hoogste baas aan een gesponsorde bijeenkomst in Zuid-Frankrijk Tersteege de das omdoet, waarna de veldpartijen zichzelf mogen controleren. Fijntjes meldt hij ook nog even dat de leerstoel van de cardioloog (een beroepsgroep die elders in het boek 'de witte mafia' wordt genoemd) door de industrie wordt betaald.
Bouma heeft de farmaceutische industrie al jaren in het vizier. Het is een dossier dat hij trouw volgt; hij is een ervaren wetenschapsjournalist. Eerder schreef hij een boek over de tabaksindustrie. Bouma onderbouwt en lardeert zijn voorbeelden met stukken die niet op straat liggen, zoals interne memo's en correspondentie tussen hoge ambtenaren op het ministerie van VWS en de farmaceutische industrie.
Slikken leest prettig weg. Het boek houdt de dokter een spiegel voor. Voor sommigen een lachspiegel, anderen zullen even moeten slikken.
J. Bouma, Slikken. Hoe ziek is de farmaceutische industrie? LJ Veen, ISBN 90 204 0365 6, 500 blz., 18,90 euro.
23-10-2007
Doden door pijnstillers Door langdurig gebruik van pijnstillers overlijden in Nederland jaarlijks 540 mensen. Het gaat om ontstekingsremmende middelen als diclofenac en ibuprofen. Tot die conclusie komt reumatoloog Harald Vonkeman van Medisch Spectrum Twente in zijn proefschrift aan de Universiteit Twente.
‘Liever therapie dan pillen bij depressie’
Onderzoeker is niet verbaasd over het geringe effect van antidepressiva dat zij ontdekte
Gepubliceerd NRC Handelsblad 27 februari 2008
redacteur Ellen de Bruin
Onderzoek waaruit blijkt dat antidepressiva nauwelijks werken, moet gevolgen hebben voor de behandeling, vindt onderzoeker C. Bockting.
De richtlijnen voor de behandeling van depressieve patiënten moeten nu kritisch tegen het licht worden gehouden. Dat zegt Claudi Bockting van de Rijksuniversiteit Groningen, naar aanleiding van een gisteren gepubliceerd onderzoek in PLoS Medicine. Hieruit bleek dat de meest geslikte antidepressiva (waaronder paroxetine) nauwelijks beter werken dan een placebo. Antidepressiva zijn de meest gebruikte behandelmethode bij depressie. Bockting onderzoekt zelf ook behandeling van depressie.
Had u verwacht dat deze antidepressiva zo weinig effect hebben?
„Ja, dit had ik wel verwacht. Vorige maand is er al een onderzoek met vergelijkbare resultaten gepubliceerd. De effecten van antidepressiva worden overschat, omdat de wetenschappelijke tijdschriften met name studies publiceren waaruit blijkt dat die medicijnen een positief resultaat hebben. In deze nieuwe onderzoeken zijn ook onderzoeksresultaten bekeken die niet in tijdschriften zijn gepubliceerd – die zijn bij de Amerikaanse Food and Drugs Administration, die alles registreert, opgevraagd. Uit dat onderzoek van vorige maand bleek dat 94 procent van de gepubliceerde resultaten positief is, maar als je de niet gepubliceerde resultaten erbij betrekt, vermindert dat tot de helft.”
Hoe kan het dat zulke medicijnen toch worden goedgekeurd?
„Nou, het is ook weer niet zo dat mensen er slechter van worden. Maar ze werken nauwelijks beter dan een placebo. Als ze al een klinisch effect hebben, dan alleen voor de mensen met de ernstigste depressies, en vooral doordat bij hen een placebo weinig doet.”
Wat zou er met deze studies gedaan moeten worden?
„Dit zou enorme gevolgen moeten hebben, dit mag absoluut de kattenbak niet in. Behandelaars kijken in wetenschappelijke tijdschriften wat ze moeten doen. Maar bij antidepressiva kunnen ze daar kennelijk niet op vertrouwen, want tijdschriften publiceren liever resultaten waaruit blijkt dat een middel werkt, dan dat het niet werkt. Als artsen zich verlaten op de studies die geplaatst worden in plaats van de studies die gedaan worden, overschatten ze het effect van antidepressiva.
„Uit het onderzoek van vorige maand bleek dat we het effect van antidepressiva in de praktijk met een derde moeten afzwakken, en het was al niet zo groot. De richtlijnen voor behandeling moeten antidepressiva dus minder stellig aanbevelen. Het is momenteel de meest gebruikte behandelingsmethode bij depressie, maar de werking ervan moet eerst helemaal opnieuw onderzocht worden.
„En de overheid zou dit soort onderzoek moeten financieren in plaats van de farmaceutische industrie. Er zijn nu te veel belangen in het spel: de onderzoeker, het tijdschrift en de industrie willen allemaal scoren. Wat nu voor antidepressiva ontdekt is zou ook voor andere middelen bij andere aandoeningen kunnen gelden. Ik vind dat echt een enorme misstand.”
Wat werkt er wel, tegen depressie?
„Bepaalde vormen van psychotherapie: cognitieve gedragstherapie (CGT), interpersoonlijke therapie, kortdurende psychodynamische therapie. Bij therapie is er misschien ook sprake van publication bias, maar veel minder groot, omdat er geen enorme commerciële belangen achter zitten, zoals bij de farmaceutische industrie.
„Mijn eigen onderzoek suggereert dat het langetermijneffect van CGT veel beter is dan van pillen. Dat is belangrijk, omdat we weten dat een depressie vaak terugkomt en antidepressiva worden veel gegeven als ‘onderhoudsmedicijn’. In mijn onderzoek slikte 80 procent van de deelnemers drie tot zestien maanden na hun laatste depressie nog antidepressiva. 60 procent van hen werd binnen twee jaar weer depressief. Maar van die 20 procent niet-slikkers viel maar een kwart weer terug, en als ze ook nog een CGT-training van acht sessies hadden gevolgd zelfs maar één op twaalf. Zelfs na vijf en een half jaar beschermde zo’n training nog.”
Hoe verklaart u die resultaten?
„Levenslang doorgaan met slikken van antidepressiva is maar gebaseerd op kleine studies, misschien werkt het voor sommige mensen wel tegengesteld, dat weten we niet. En die CGT-training werkte ook alleen zo goed bij de niet-slikkers. Misschien is het wel nodig om aan jezelf te werken zonder het gevoel te hebben dat die pillen je toch wel beschermen
“Psychiaters te koop? “
bestel via de link:
Prof. dr. Walter Vandereycken (KUL) & drs. Ron van Deth schreven “Psychiaters te koop? ” een boek over de invloed van de farmaceutische industrie op het psychiatrisch denken en handelen.
De thema’s van De Cholesteroloorlog worden uitgebreid toegepast op de psychiatrische geneesmiddelen. De auteur maakt in zijn boek expliciet publiciteit voor deze weblog/website: “Een Nederlandstalig voorbeeld van een kritisch digitaal dagboek is dat van de Vlaamse huisarts Dirk Van Duppen (www.gvhv.be).” (p.60) En met volgend fundamenteel uitgangspunt uit zijn boek ben ik het roerend eens: “Twee werelden staan hier tegenover elkaar: de farmaceutische industrie als een onderneming met winstoogmerk die verantwoording moet afleggen tegenover haar aandeelhouders; de geneeskunde als een altruïstische onderneming die verantwoording moet afleggen tegenover haar patiënten.”
Bestel "De Cholesteroloorlog" via de link:
Lusteloosheid en pessimisme zijn depressie geworden, een druktemaker is voortaan een ADHD-er, verlegenheid heet inmiddels sociale fobie. En voor elk van deze ziekten is er wel een pilletje. Niet alleen erover praten, maar vooral gewoon slikken.
Maar nooit van tevoren waren er zoveel depressies, werden zoveel antidepressiva geslikt, nooit eerder zoveel zelfmoorden. Toeval of bestaan er toch verbanden?
De farmaceutische industrie stelt zich die vraag niet, want de winsten zijn gigantisch, vooral op de markt van de psychische problemen. Maar dit kan alleen dankzij de medewerking van artsen. Ze worden betaald om onderzoek te doen, dat meestal gunstig uitvalt voor de betaler. Hoogleraren krijgen flinke sommen om de blijde boodschap te verspreiden. Huisartsen en psychiaters worden met merkwaardige cadeaus overtuigd van de superieure werkzaamheid van de nieuwe pillen. Het verbod op publieksreclame voor medicijnen wordt creatief omzeild. Patiëntenverenigingen geven voorlichting over medicatie, toevallig van het sponsorende bedrijf. De grenzen van het fatsoen zijn ver overschreden.
Waar beginnen de puur commerciële belangen van bedrijven en waar eindigen de wetenschappelijke verantwoordelijkheid en het ethisch handelen van artsen, ziekenhuizen en universiteiten?
Walter Vandereycken en Ron van Deth noemen man en paard. Hun analyses zijn haarscherp en loepzuiver. Zij geven opmerkelijke voorbeelden, met naam en toenaam, uit Nederland en België.
Walter Vandereycken is buitengewoon hoogleraar psychiatrie aan de KU Leuven en psychiater bij de Psychiatrische Kliniek Broeders Alexianen in Tienen.
Ron van Deth, psycholoog, is verbonden aan onder meer het Europees Instituut voor Educatie De Braak in Driebergen.
272 blz. - 24,90
een uitgave van Cyclus, imprint van Garant-Uitgevers, 2006
ISBN 90 8575013 0
Dit boek is niet enkel een aanrader voor artsen, psychiaters en onderzoekers, maar voor iedereen die werkzaam is of interesse heeft in de geestelijke gezondheidszorg. In een vlotte en aangename schrijfstijl, doorspekt van talloze treffende voorbeelden, slagen de auteurs erin op verschillende niveaus enkele zeer actuele pijnpunten bloot te leggen in de verhoudingen tussen patiënten, psychiaters en de farmaceutische bedrijven.
Recensie door Peter Algoet, www.vrijzinnighumanisme.be
20/11/2006
In Psychiaters te koop? ontrafelen Vandereycken en van Deth op magistrale wijze de soms schandalige methoden van de farmaceutische industrie inzake pillenmarketing in de sector van de geestelijke gezondheid. Rond sommige psychofarmaca is vaak een hele carrousel opgebouwd met slechts één doelstelling: winstmaximalisatie, soms ten koste van de gezondheid van de patiënt. Enkele voorbeelden geven aan hoe die carrousel draait.
Het begint natuurlijk bij de pillen zelf. Publieksreclame voor medicijnen is verboden. Niet getreurd want dan maken we toch gewoon reclame voor de ‘ziektes’ zelf.
In een eerste fase dient één en ander geproblematiseerd en worden definities bijgesteld. Allerlei menselijke gedragingen worden beschouwd als stoornissen, aandoeningen of syndromen. Schuwheid bijvoorbeeld wordt ‘sociale fobie’, drukte wordt ADHD. Normale menselijke zorgen, kwaaltjes of moeilijkheden worden medische problemen. Emotionele schommelingen rond de menstruatie werden vroeger reeds gemedicaliseerd tot ‘premenstrueel syndroom’ en recent wordt dit zelfs ‘premenstruele dysfore stoornis’ genoemd. De verzameling van al dit fraais komt in de zogenaamde Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders of kortweg DSM terecht, de diagnosencatalogus of bijbel inzake ‘psychiatrische aandoeningen’.
In nog geen halve eeuw is zo het aantal zogenaamde psychiatrische stoornissen in de DSM verdrievoudigd. Is dit enkel te verklaren door meer en betere resultaten op het vlak van kennis en onderzoek? De DSM hanteert een symptoommodel als benadering van ziektes, los van de psychologische of sociale context van patiënten.
In een tweede fase schieten de marketeers in gang. De handel in ziektes of ‘disease mongering’ kan beginnen. Het patroon ziet er vaak ongeveer als volgt uit:
“Mevrouw, meneer, u heeft soms last van x. U voelt daarbij een ongemak. Dat is een probleem. Maar u bent niet alleen: miljoenen anderen lijden daar ook aan. Bang hoeft u niet te zijn want x heeft een naam en wat meer is, het kan verholpen worden. Wetenschappelijk onderzoek heeft achterhaald dat x verband houdt met onze hersenen. Deze storing in bepaalde hersenfuncties kan met dit middel gecorrigeerd worden. Neemt u deze medicatie voldoende lang en u zult verlost worden van uw klacht.”
Aangevuurd door deze marketing-talk leiden bijvoorbeeld (natuurlijke) erectiemoeilijkheden vanaf een bepaalde leeftijd bij mannen plots massaal tot gebruik van Viagra. Voor vrouwen met minder zin in seks (wegens allerlei factoren) worden zinbevorderende middelen ontwikkeld. Seks moet, en liefst zo lang mogelijk!
Eind de jaren negentig kwam dit marketingverhaal ook duidelijk naar voren bij het antidepressivum Paxil (Seroxat), ter behandeling van de sociale angststoornis.
Marketing dient natuurlijk ‘wetenschappelijk’ onderbouwd te worden. In een derde fase wordt alles in het werk gesteld om wetenschappelijk onderzoek ten dienste te stellen van de verkoop. Daartoe worden bijvoorbeeld negatieve onderzoeksresultaten over een bepaald middel niet of laattijdig gepubliceerd. Bepaalde negatieve verhalen bijvoorbeeld over het verband tussen het gebruik van SSRI-antidepressiva en de toename van suïcide-neigingen bij gebruikers worden soms gewoon weggelachen. Leerstoelen aan universiteiten geraken in een “wiens brood men eet, diens woord men spreekt”-logica. Zo waren in 2005 36 van de 48 leerstoelen aan de faculteit geneeskunde van de KUL gefinancierd door de farma- en biotechindustrie. Sedert enkele jaren heeft die universiteit ook een Eli Lilly leerstoel biologische psychiatrie...
Zonder artsen en dus patiënten geraakt men nergens natuurlijk. Het voorschrijfgedrag dient in de goede richting ‘gestuurd’ te worden. Artsen en psychiaters krijgen dan ook massaal hadelsreizigers over de vloer die telkens de ‘blijde pillenboodschap’ verkondigen, worden tijdens navormingsessies en op beurzen degelijk ‘voorgelicht’ over een of andere medicatie en zijn zich op het einde van de rit nauwelijks bewust dat ze gemanipuleerd worden. En zo is de cirkel rond.
De idealisten Vandereycken en van Deth roepen niet meer of niet minder op tot een grondige mentaliteitsverandering, een grote schoonmaak en een tegenbeweging. Ze doen zeer concrete voorstellen voor industrie, overheid en artsen. Zo pleiten ze voor een onafhankelijk Nationaal Fonds voor Geneesmiddelenonderzoek, voor een openbaar belangenregister en voor het knippen in de sponsoring van medische beroepsverenigingen.
Bij het lezen van dit boek bekruipt mij het gevoel alsof Erich Fromm en zijn ‘Sane society’ uit 1955 nooit heeft bestaan, alsof Thomas Szasz zijn essay ‘De mythe van de psychiatrische afwijking’ uit 1960 nooit heeft geschreven, en de waan dat heel de periode van de anti-psychiatrie van de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw voorgoed overspoeld is door het bio-optimisme, of beter het neuro-surrealisme van de farmaceutische industrie en de biologische psychiatrie. De woorden in het essay van Szasz uit 1960...
"Onze tegenstanders zijn niet de demonen, de heksen, het lot of de psychiatrische afwijking. Wij hebben geen vijand die wij kunnen bestrijden, uitdrijven of verjagen door te ‘genezen’. Wat we hebben zijn levensproblemen - of dat nu biologische, economische, politieke of socio-psychologische zijn."
lijken vervangen door de peptalk van de marketeers in maatpak...
“Onze voorstanders zijn wel de miljoenen patiënten en gebruikers, de propaganda of de neurologische stoornis. Wij hebben een vijand die wij kunnen bestrijden, uitdrijven en verjagen door jullie te ‘bedienen’. Wat wij hebben zijn pillen - of het nu gaat over biologische, economische, politieke of socio-psychologische problemen."
Is wat in dit boek ontmanteld en gedeconstrueerd wordt nieuw? Nee, maar het geeft een zeer concreet en volledig overzicht van een praktijk waar tal van belanghebbenden bij betrokken zijn. Is marketing, reclame en winst niet inherent aan de industrie? Ja, maar hier is overheidsgeld mee gemoeid en staat de gezondheid van mensen op het spel.
Wat mij het meest verontrust is dat we stilaan allemaal ‘ingepakt’ worden door een eenheidsdenken en –handelen. Dit soort imperialisme drumt de sociale en psychologische benaderingen in de psychiatrie weg en duwt het lot van mensen in handen van handelsreizigers en slippendragers. Deze ‘overlevering’ en soms zelfs ‘overgave’ ondermijnt de zelfbeschikking van patiënten. Hieraan is nog maar eens af te meten dat maatschappelijke factoren de (geestelijke) gezondheidszorg minstens evenzeer bepalen als individuele factoren.
Psychiaters te koop? is zeer vlot geschreven, met tal van voorbeelden uit de recente en minder recente praktijk, met vermelding van namen en toenamen, hier en daar met humor en vooral met enkele rake aanbevelingen. De draad van de anti-beweging is hiermee terug opgenomen, weliswaar in de richting van de farmaceutische industrie en de medeplichtige biologische psychiatrie en huisartsenpraktijk. De ruimere maatschappelijke context aanpakken is andere koek.
De Cholesterol oorlog (waarom geneesmiddelen zo duur zijn), door huisarts Dirk van Duppen
Een brandend actueel boek. Het tekort in de ziekteverzekering beloopt 300 miljoen euro in Belgie, waarvan 222 miljoen euro veroorzaakt wordt door een te snelle stijging van het geneesmiddelenbudget. Dit boek geeft aan hoe de ziekteverzekering een overschot van 1 miljard euro kan realiseren en ons toch de beste geneesmiddelen volledig kan terugbetalen. Geneesmiddelen zijn in België veel te duur. Dit komt door de reuzenwinsten van de farma-multinationals.
Eind september 2004 kwam het boek ‘De Cholesteroloorlog. Waarom zijn geneesmiddelen zo duur’ uit. In het najaar van 2004 woedde het debat rond het kiwimodel. Op 25 januari 2005 organiseerden de commissies Sociale Zaken en Volksgezondheid van Kamer en Senaat een gezamenlijk hoorzitting rond het boek en het geneesmiddelenbeleid. Dit leidde tot een werkbezoek van een commissie senatoren aan Nieuw-Zeeland om het kiwimodel te bestuderen. Hun rapport leidde tot meerdere debatten in Kamer en Senaat rondom het kiwimodel en de gezondheidswet van minister Demotte. Eind 2005 verzamelden Geneeskunde voor het Volk, de KWB en de LBC non-profit 100.000 handtekeningen onder een petitie voor toepassing van het kiwimodel in België.
Het hele debat en de daaruit voortvloeiend maatregelen leidde tot een prijsdaling van 900 geneesmiddelen. De meest spectaculaire is deze van de cholesterolverlager Zocor van de Amerikaanse multinational Merck Sharp&Dohme, waarmee de hele Cholesteroloorlog begon. De prijs voor één doosje Zocor daalde van 123,50 euro in 2004 tot 57,93 euro nu. In de marktbevraging die minister Demotte nog heeft georganiseerd doet MSD een aanbod om de prijs van Zocor verder te laten zakken tot 31,00 euro.
05-08-2005 - Persbericht Dirk Van Duppen, Belgie
Orde van Geneesheren te Antwerpen klasseert klacht van “nestbevuiling” tegen kiwidokter Dirk Van Duppen
Op maandag 29 november 2004 verscheen Dr. Dirk Van Duppen voor de Orde van Geneesheren te Antwerpen. Hij moest zich verantwoorden omdat hij aan “NESTBEVUILING” zou gedaan hebben in het debat met farma-baas Leo Neels in het tv-programma 'Kies Recht' van Goedele Liekens op 14 mei 2004. Dirk had daar gesteld dat de farma-industrie voor artsen etentjes organiseert in exclusieve restaurants met fois gras op het menu, terwijl er reclame gemaakt wordt voor een cholesterolverlager.
Sterke toename van diagnose ADHD bij kinderen en sterke toename van ADHD medicatie
Dat nu ook steeds vaker meisjes de diagnose ADHD krijgen, is opvallend’, stelt NIVEL-onderzoeker Liset van Dijk. ‘Dat zie je ook in de medicatie. Het aantal meisjes met ADHD-medicatie stijgt gemiddeld per jaar met 25,5% en jongens met 14,1%. Door het veel grotere aantal jongens met ADHD blijft het absolute aantal jongens sterker stijgen.’
Uit cijfers van de Stichting Farmaceutische Kengetallen blijkt dat er in 2007 34% meer ADHD-medicatie is voorgeschreven dan het jaar daarvoor. Er is de laatste jaren bovendien meer keus. (Bron www.nivel.nl).
Apotheker Haesbrouck waarschuwt voor de gevolgen van ADHD medicatie bij kinderen in zijn
boek over ADHD medicatie.
Advies van apotheker Fernand Haesbrouck: geef "moeilijke" (lees: energieke) kinderen genoeg aandacht en zorg dat ze zich kunnen uitleven met iets dat ze graag doen: sport, muziek, iets kreatiefs,... zolang ze er maar volledig kunnen in opgaan, en ge zult zien dat die zogenaamde ADHD al snel zal verbeteren. (Bron Ronde Tafel Bijeenkomst 24/11/2007
Koen van de Morteel).
Fernand Haesbrouck (°1945) is apotheker (KU Leuven) in psychiatrische ziekenhuizen en raakte gealarmeerd omdat in de laatste vier jaren de psychiatrische ziekenhuizen te maken kregen met een verzesvoudiging van de opnames van verslaafde en karaktergestoorde methylfenidaatpatiënten. Methylfenidaat is het werkzame bestanddeel van Concerta en Ritalin (Rilatine). Rilatine is vooral bekend als medicijn in de behandeling van ADHD.
Volgens Haesbrouck is die verslaving en de karakterstoornissen die erdoor ontstaan, alleen te wijten aan het chronisch gebruik van methylfenidaat, terwijl men er nog steeds van uitgaat dat het de aandoening is die voor dat soort ongemakken verantwoordelijk zou zijn.
Om de consument te waarschuwen schreef hij het boek over de gevaren van ADHD-medicatie. "Dokters dealen harddrugs en vergiftigen kinderen om pedagogisch comfort af te kopen", stelt Haesbrouck. "Na 12 jaar medische studies moeten artsen toegeven dat men niet weet waarmee men bezig is. En als het even misloopt verklaart men doodernstig dat de vergiftiging bij kinderen net op vraag van ouders, schooldirecties, vrienden of kennissen ontstaan is."
Het nieuwe boek is het eerste boek dat niet handelt over alle mythen rondom ADHD, maar legt het werkingsmechanisme van de gebruikte medicatie uit.
Methylfenidaat, de actieve stof in Rilatine en Concerta, is een cocaïneproduct waarvan de amfetaminewerking psychotisch maakt. Het chronisch dwangmatig psychotisch maken heeft in veel gevallen tot gevolg dat corrigerend met antipsychotica (neuroleptica) moet behandeld worden of dat zelfs psychiatrisch moet opgenomen worden.
Sinds 2006 komen er al meldingen binnen over de negatieve bijwerkingen. Pas begin dit jaar waarschuwde de Amerikaanse Food and Drug Administration ervoor dat het chronisch gebruik van methylfenidaat psychotisch gedrag, stevige hartproblemen en zelfs sterfgevallen kan veroorzaken.
De internationale literatuur vermeldt dat het werkingsmechanisme van die medicatie onbekend is, net zoals ook de werking van de Prozac-stof Strattera bij ADHD niet gekend zou zijn.
Haesbrouck begrijpt het allemaal: "De farmaceutische industrie verkiest om het werkingsmechanisme van die stoffen onbekend te houden. Men ervaart de medicatie als veilig en bovendien zorgen de nevenwerkingen ervoor dat een zeer winstgevende markt van zware neuroleptica nu ook bij jongeren aangeboord kan worden en nog werkzekerheid verschaft voor gespecialiseerd personeel en instellingen."
Haesbrouck werkt sinds 1970 als apotheker in psychiatrische ziekenhuizen, en was tussen 1988 en 2002 ook deeltijds professioneel actief op meerdere informaticaprojecten als C++-programmeur.
De schrijvende arts en bijzonder hoogleraar Ivan Wolffers heeft voor onrust gezorgd met zijn conclusie dat het slikken van Ritalin ernstige risico's zou hebben voor kinderen met ADHD (27 juli 2007 De Pers).
Echter, snel werd hij op z'n vingers getikt door de psychiaters en moest hij zijn mening bijstellen. De persverklaring luidt dat de hoogleraar Ivan Wolffers het Amerikaanse onderzoek niet goed had begrepen.
De rectificatie in de pers (bron: BN, de Stem):
Hij bleek het Amerikaanse onderzoek waarop hij zich baseerde, verkeerd te hebben gelezen. "Goed dat dit wordt rechtgezet", aldus Wolffers die hiermee werd geconfronteerd.
Kinderen met ADHD die Ritalin slikken, lopen een verhoogd risico om met alcohol en drugs te experimenteren, berichtte Wolffers. Ook zouden ze vaker met de politie in aanraking komen.
Dat dacht Wolffers te lezen in het Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry. Hij waarschuwde voor de gevolgen in verschillende media.
Arga Paternotte van patiëntenvereniging Balans reageerde geschrokken op Wolffers waarschuwing. "Is het dan echt waar? Ik ga gelijk onze deskundige bellen", zei ze. Maar de paniek bleek overbodig. Wolffers bleek de onderzoeksresultaten niet goed te hebben gelezen.
Kinderpsychiater Robert Ferdinand: "Ouders kunnen hun kinderen met een gerust hart Ritalin blijven geven. Er is geen verband tussen Ritalin en verslaving."
Rechtszaken in de VS tegen de Amerikaanse Psychiaterorganisatie en Novartis (producent ADHD).
Bron: Ivan Wolffers, Medicijnwijzer.nl
Er zijn in 2000 twee aanklachten gedaan (een in Californie en een in New Jersey) door verontruste ouders tegen de Amerikaanse Psychiaterorganisatie (APA) en Novartis (de producent van Ritalin). Ze worden ervan beschuldigd dat ze samen spannen om een markt voor Methylfenidaat (Ritalin) te creëren. Dat komt nog bij een grote zaak die in de Amerikaanse staat Texas speelt. Daarin luidt de aanklacht: "Ciba/Novartis plande en spande samen om de diagnosen ADD en ADHD te creëren, te ontwikkelen en te promoten in een hoogst succesrijke poging z’n markt voor het product Ritalin te vergroten." Tegen de psychiaters luidt de klacht: "De American Psychiatric Association (APA) spande samen en werkte samen met de andere aangeklaagden, daarbij financiële bijdragen van Ciba en andere producenten van geneesmiddelen aannemend".
Het komt erop neer dat de klacht luidt dat producenten en psychiaters samen een ziekte gecreëerd hebben waarvoor Ritalin voorgeschreven wordt op een manier die niet meer in verhouding staat tot de echte klachten. Het bevestigt wat velen al over ADHD gezegd hebben: Diagnosen zoals ADD en ADHD zijn de kleren van de Keizer. Er is helemaal niet zo’n syndroom.
De psychiaterorganisatie verzet zich tegen de aantijgingen en zegt bij de rechtszaak met stapels bewijs te komen dat er wel degelijk sprake is van een echte ziekte. Dat zal niet echt gemakkelijk zijn, omdat bij deze wat vage ziekten er natuurlijk geen duidelijke biologische basis voor de drukheid van de kinderen is. Het zijn interessante zaken omdat ze tot de kern gaan van de huidige marketing strategieën van de producenten van geneesmiddelen. Ze krijgen steeds meer greep op de diagnosen die artsen stellen en artsen zijn steeds meer betrokken bij het werk van de producenten van geneesmiddelen.
Klachten over een farmaceut? (informatie bestemd voor artsen)
Geneesmiddelenreclame mag artsen niet beïnvloeden. Dat zijn de regels. Maar wist u ook dat overtreders van die regels op de vingers kunnen worden getikt? Dat kan via een klacht bij de Stichting Code Geneesmiddelenreclame ( www.cgr.nl).
Farmaceuten doen dat vaak, over elkaar. Artsen doen dat heel weinig. Daarom biedt de KNMG artsen die een klacht hebben over geneesmiddelenreclame, gratis rechtsbijstand door een deskundig jurist. Heeft u een klacht? Bel de Artseninfolijn! Tel. 030-28 23 322, e-mail artseninfolijn@fed.knmg.nl. Meer informatie is ook te vinden op www.cgr.nl.
Bijwerkingen van geneesmiddelen
Voor zorgverleners en patienten
In de definitie van de WHO (World Health Organisation) is een bijwerking iedere schadelijke, niet bedoelde werking van een geneesmiddel dat in de gebruikelijke dosering is toegediend voor de preventie, diagnose of behandeling van een ziekte of aandoening. Dit betekent dat bijvoorbeeld onverwachte effecten van voedings- of genotmiddelen (drugs) en gevolgen van een overdosering niet als bijwerking worden aangemerkt. Het bewaken en analyseren van deze nog onbekende bijwerkingen wordt internationaal farmacovigilantie genoemd. Hierbij wordt aan artsen en apothekers de mogelijkheid geboden om hun vermoedens van een bijwerking te melden op één centraal punt. In Nederland is dat Lareb. Op deze manier is het mogelijk om in korte tijd nieuwe, potentieel gevaarlijke bijwerkingen op te sporen en te bewaken. Vervolgens kan gericht farmaco-epidemiologisch vervolgonderzoek plaatsvinden om bijvoorbeeld incidentiecijfers vast te stellen.
Meldpunt Medicijnen
Wanneer u andere ervaringen (geen bijwerkingen) met het geneesmiddel wilt melden, kunt u terecht bij het Meldpunt Medicijnen van DGV. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan problemen met de verpakking of bijsluiterteksten.
Stichting DGV (doelmatige geneesmiddelenvoorziening) werkt onder de naam DGV, Nederlands instituut voor verantwoord medicijngebruik. DGV is een onafhankelijk instituut dat als doel heeft het gebruik van geneesmiddelen in Nederland zo verantwoord mogelijk te laten zijn. De farmaceutische industrie is geen opdrachtgever. Het Meldpunt Medicijnen verzamelt de ervaringen van medicijngebruikers. Doen de medicijnen wat ze moeten doen? Geven ze bijverschijnselen? Zijn ze onhandig in het gebruik? Worden ze vergoed? Al deze ervaringen zijn belangrijke signalen. Signalen die anders misschien verloren gaan. Met die signalen kunnen consumenten en patiënten betere voorlichting krijgen bij hun keuze voor medicijnen. Ook kunnen wij met uw signalen de kwaliteit, het gebruiksgemak en de veiligheid van medicijnen helpen verbeteren. Het Meldpunt Medicijnen is alleen een digitaal meldpunt. U kunt dus niet schriftelijk of telefonisch melden. Medicijngebruikers die geen computer of internetverbinding hebben, kunnen hun ervaring door iemand anders laten melden. Een familielid bijvoorbeeld, of een verzorger.
Ga naar het meldformulier en klik hier
*Voor vragen over bijwerkingen of geneesmiddelengebruik kunt u terecht bij de Geneesmiddelen informatie lijn (0900-9998800) of op www.apotheek.nl
Medicijnwijzer van de Consumentengids
Heeft u bijvoorbeeld last van hoge bloeddruk, slapeloosheid of hartritmestoornissen? De nieuwe Medicijnwijzer op Consumentengids Online kan u helpen bij het zoeken van informatie over de voorgeschreven medicijnen.
Voor zeer uiteenlopende ziektes en medische klachten leest u wat de beste medicijnen zijn, met welke bij- en wisselwerkingen u rekening moet houden en wat de alternatieven zijn.
Farmacovigilantie
Een geneesmiddel toelaten tot de markt gebeurt op grond van de balans tussen werkzaamheid en schadelijkheid. Lang niet alle effecten van geneesmiddelen zijn bekend op het moment dat ze op de markt worden gebracht. Naarmate een geneesmiddel langer op de markt is en onder niet-gecontroleerde omstandigheden gebruikt wordt door een brede patiëntengroep, worden meer effecten en zeldzame bijwerkingen zichtbaar dan aanvankelijk in studies waren geconstateerd.
Geneesmiddelenbewaking (farmacovigilantie) is het opsporen, evalueren en voorkómen van ongewenste bijwerkingen en interacties. In de Europese lidstaten is een systeem van geneesmiddelbewaking opgezet, waarin onder andere een rol is weggelegd voor de Europese registratieautoriteit EMEA, het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, de Inspectie, het LAREB en de registratiehouders.
In 2005 verscheen een rapport van de werkgroep pharmacovigilance van de International Society of Drug Bulletins (ISDB), waarin felle kritiek wordt geuit op het vigerende systeem van farmacovigilantie. Zo deugt het bijvoorbeeld niet dat EMEA ressorteert onder het Directoraat Generaal Ondernemingen en Industrie van de Europese Unie, in plaats van onder Gezondheid en Consumentenbescherming. Het is duidelijk dat hier een belangenverstrengeling kan ontstaan. Daarnaast is het een ernstige tekortkoming dat veiligheidsdata niet of nauwelijks beschikbaar zijn voor het publiek, voor gezondheidswerkers en voor geneesmiddelbulletins.
Tenslotte is er niet veel motivatie onder professionals om bijwerkingen te melden. Patiënten ontvangen alleen moeilijk te begrijpen informatie over bijwerkingen en zij worden niet serieus genomen bij het melden ervan.
Aldus is een systeem ontstaan waarin - volgens de ISDB - geneesmiddelen te snel en zonder adequate veiligheidsstudies op de markt worden gebracht en voorgeschreven worden aan teveel patiënten. Met in het achterhoofd een recent aantal ernstige problemen met vrij nieuwe geneesmiddelen, vrees ik dat de ISDB met haar kritiek aardig dicht bij de waarheid komt. De hoogste tijd dus om het huidige systeem van farmacovigilantie eens goed op de schop te nemen.
Geschreven door: Jos Lüers, hoofdredacteur Pharma Selecta
Bron: ISDB EU: Berlin Declaration on Pharmacovigilance - January 2005
’Patiënt is er niet voor de marketing’
Bron: Trouw, 24 oktober 2007
Joop Bouma
Uit onderzoek van Trouw bleek zaterdag dat de farmaceutische industrie patiëntenorganisaties veel geld toestopt, zij het zeer selectief. ?Bedrijven die beweren dat ze patiënten weerbaarder en krachtiger willen maken, moet je wantrouwen."
Patiëntenorganisaties voelen zich ’uitermate ongemakkelijk’ bij sponsoring door de farmaceutische industrie, zegt Iris van Bennekom, directeur van de Nederlandse Consumenten en Patiënten Federatie (NPCF). Alleen al door het schaalverschil staan patiëntengroepen, die doorgaans bestaan uit vrijwilligers, op achterstand bij de grote firma’s, die wereldwijd opereren. „Het is geen gelijkwaardige relatie, hoe je het ook bekijkt.”
De relatie tussen patiëntengroepen en de fabrikanten van geneesmiddelen is dubbel. Patiënten hebben een groot belang bij de ontwikkeling van medicijnen en zijn daarom afhankelijk van de farmaceutische industrie. „Iedere patiënt hoopt toch dat de industrie ook voor hem een keer een oplossing biedt. Patiëntengroepen ervaren de risico’s van beïnvloeding door industriesponsoring anders. Ze hebben daar nooit zo bij stilgestaan. Veel organisaties hebben een jarenlange band met fabrikanten. Dit is dus niet iets dat je in een jaar of anderhalf jaar geregeld hebt. Bovendien, in andere Europese landen wordt álles, echt álles, betaald door de farmaceutische industrie. Patiëntenorganisaties zeggen dan: waarom zouden wij in Nederland heiliger moeten zijn?”
Zaterdag bracht Trouw verslag uit van een onderzoek naar de sponsorcontracten tussen fabrikanten van geneesmiddelen en patiëntenbelangenorganisaties in Nederland. Bij 44 farmaceutische bedrijven werden de contracten opgevraagd. Ruim 70 patiëntenverenigingen kregen in 2006 gemiddeld 30.000 euro van de industrie.
Uit het onderzoek blijkt dat de fabrikanten vooral veel geld stoppen in patiëntengroepen voor ziekten met een potentieel hoge omzet in medicijnen. Het gaat dan om aandoeningen waarvoor de geneesmiddelen veelal duur zijn en langdurig worden geslikt (een compleet overzicht van sponsorbedragen aan patiëntenorganisaties is te vinden op: trouw.nl/sponsoring).
Multinationals die willen investeren in hun relatie met patiënten zouden dat geld in een fonds moeten stoppen, waaruit farmaceutische projecten voor de verbetering van de patiëntenzorg kunnen worden gefinancierd, oppert Van Bennekom. Ze vindt Gerard Plessius, directeur van het Fonds PGO, aan haar zijde. Het fonds verdeelt namens de overheid jaarlijks ongeveer vijftig miljoen euro aan subsidies onder patiënten-, gehandicaptenorganisaties en ouderenbonden.
Plessius maakt zich zorgen over de onafhankelijkheid van patiëntenorganisaties. „De één-op-éénrelatie die er nu is tussen farmaceutische bedrijven en patiëntengroepen is altijd ingewikkeld. Dat soort sponsoring krijgt altijd een lading die een organisatie kán beschadigen, hoe nobel en transparant een gesponsord project ook is opgezet.”
Van Bennekom wantrouwt bedrijven zoals Pfizer, die zeggen dat ze patiëntengroepen steunen om hen weerbaarder en krachtiger te maken. ,,Dat is óns werkterrein. Daar moet de industrie van af blijven. De farmaceutische sector heeft de patiënt ontdekt als commercieel product. Ineens is de patiënt interessant. Iets meer respect zou wel mogen, vind ik. Het is niet prettig als je als een soort van afzetgebied wordt gezien. De patiëntenwereld is een waardevolle sector in onze samenleving, met veel gedreven mensen die het beste met hun leden voor hebben.’’
Daarom moeten farmaceutische bedrijven op gepaste afstand blijven van patiëntengroepen, vindt Van Bennekom. „Het weerbaar maken van patiënten is onze taak. Het is onze core business. Waar bemoeit de industrie zich mee? Wij hebben daar verstand van, zij niet. En, heel belangrijk, wij zijn wel onafhankelijk. Dat kun je van de industrie niet zeggen.”
Het valt haar op dat er wereldwijd nooit zo’n grote interesse is geweest van de farmaceutische industrie in de patiëntenbeweging. Pas sinds de laatste jaren neemt die belangstelling toe, omdat patiënten meer en meer worden gezien als een instrument bij de marketing van middelen. „Dat is een onplezierige ontwikkeling. Patiëntenorganisaties zitten in een spagaat.”
Ze merkt op dat in het Top Instituut Pharma, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en universiteiten op het terrein van geneesmiddelenonderzoek, de patiëntensector volledig ontbreekt. „Er wordt dus in het geheel geen rekening gehouden met de wensen van patiënten- en consumentenorganisaties.”
Van Bennekom en Plessius pleiten daarom voor een onafhankelijk patiëntenfonds met industriegeld. Van Bennekom: „Je ziet dat er vrij veel geld gaat naar een beperkt aantal patiëntengroepen. Ik zou graag zien dat die fondsen wat systematischer werden ingezet, bijvoorbeeld voor projecten voor farmaceutische zorgverlening. Je kunt dan met alle partijen afspraken maken over de besteding van dat geld. De industrie stort dat geld en laat de toekenning over aan een onafhankelijk bestuur. Dat zal de beeldvorming die er is over industriesponsoring aanzienlijk verbeteren, denk ik.”
Van Bennekom wijst er op dat haar organisatie NPCF een gedragscode heeft ontwikkeld voor de omgang met sponsors. „We zien toe op naleving van de gedragsregels. Het accent ligt op het bewaren van de onafhankelijkheid. Veel hangt ook af van de opstelling van de industrie. Het zijn multinationals en de mate van maatschappelijke betrokkenheid is erg afhankelijk van wie er aan de top staat van dit soort bedrijven.”
De NPCF wil binnenkort met de koepel van farmaceutische bedrijven Nefarma overleg over een meer algemene vormen van sponsoring van de patiëntensector.
Vereniging Farmacie en Recht
De Vereniging Farmacie en Recht is opgericht om te voorzien in de behoefte aan een forum waar ontwikkelingen binnen het brede, specialistische vakgebied farmacie en recht kunnen worden besproken. De Vereniging stelt zich ten doel de rechtwetenschap en de kwaliteit van de rechtstoepassing binnen dat terrein te bevorderen.
De regelgeving rondom geneesmiddelen en aanverwante medische producten is de laatste jaren meer en meer een separaat vakgebied geworden. Niet alleen gespecialiseerde juristen, maar alle partijen die bij de farmacie en geneesmiddelen betrokken zijn, hebben daarmee te maken. Tot op heden bestond er geen forum waar ontwikkelingen binnen dit vakgebied konden worden besproken. De Vereniging Farmacie en Recht tracht nu juist in deze behoefte te voorzien.
Het bestuur wordt gevormd door de volgende leden:
René van Ierschot (corporate counsel), voorzitter
Koosje van Lessen Kloeke (advocatuur), secretaris
John Lisman (overheid), penningmeester
Marie-Hélène Schutjens (wetenschap), lid
Ton Artz (advocatuur), lid
Melita van der Mersch (advocatuur), lid
Marten Kroneman (industrie), lid
Deze site is vanaf 1 december 2005 in de lucht.
Consensus Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie: de behandeling van kanker met dure medicamenten
De NVMO heeft deze consensustekst over dure geneesmiddelen tijdens de algemene ledenvergadering van 12 oktober j.l. aangenomen. Deze tekst zal iedere drie maanden een update zal krijgen.
Inleiding
Deze notitie is bedoeld om medisch oncologen en hun patiënten te helpen bij de verantwoorde omgang met dure medicamenten die aan patiënten gegeven moeten worden. Het juiste gebruik hiervan is voor individuele patiënten vaak erg belangrijk: de kans op een blijvende genezing, de duur van de overleving of de efficiënte bestrijding van lichamelijke klachten kunnen hiervan afhankelijk zijn. Het gebruik van deze medicamenten is ingewikkeld en is het werkterrein van medisch specialisten die hiervoor speciaal zijn opgeleid en de talrijke nieuwe ontwikkelingen op de voet volgen. Afhankelijk van de kenmerken van de patiënt, eigenschappen van de tumor en aantal en aard van de eerdere behandelingen, kan het beter zijn om een nieuw (geregistreerd) medicament te gebruiken. Maar er zijn ook situaties waarin dit niet nodig is en een al langer bestaand, goedkoper medicament een even goede of zelfs betere keuze is.
Niet altijd is de situatie duidelijk en soms ontstaat er discussie of een bepaald medicament nu wel of niet geschikt is voor een bepaald type tumor. Keuzes voor het juiste medicijn worden gemaakt op grond van resultaten van klinisch onderzoek. Voor de veel voorkomende ziekten en situaties zijn er studies gedaan (en zullen nodig blijven), die een nieuwe behandeling vergelijken met een bestaande behandeling (of met géén behandeling). Voor zeldzamere tumoren is dit vaak niet mogelijk. Gebaseerd op deze gegevens poogt deze notitie een globaal overzicht te geven.
Genezende behandeling (waaronder ‘adjuvante behandeling
De medicamenteuze behandeling van kanker gaat snel vooruit. Nadat in de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw de meeste winst werd geboekt bij zeldzame tumoren, is er nu sprake van een belangrijke vooruitgang, ook bij de veelvoorkomende vormen van kanker. De sterfte van borstkanker, bijvoorbeeld, daalt, ondanks het feit dat er nog steeds een toename is van het aantal nieuwe patiënten per jaar. Een belangrijke reden hiervoor is de aanvullende behandeling met medicijnen die tegenwoordig aan de chirurgie wordt toegevoegd (‘adjuvante behandeling’). Iets dergelijks geldt voor dikke darmkanker. Ook voor longkanker en voor prostaatkanker beginnen zich nu dergelijke effecten voor te doen. Aanvullende behandeling met medicamenten is dus van groot belang, met name ook voor de meest voorkomende tumoren in Nederland.
Levensverlengende behandeling
Medicamenten kunnen lang niet alle patiënten met kanker genezen, maar steeds vaker lukt het om patiënten met uitgezaaide kanker gedurende jaren in een goede conditie te houden door de ziekte het karakter van een chronische aandoening te doen aannemen. Hierbij worden meerdere, soms talrijke ‘lijnen’ behandeling met medicijnen gegeven, waarbij telkens bij de patiënt wordt gekeken of het medicament aanslaat. Wanneer dit niet het geval is, of wanneer het medicament na verloop van tijd zijn werkzaamheid verliest, wordt er overgegaan op een volgend medicament. Deze opeenvolging van behandelingen die met de moderne medicamenten en de moderne ondersteunende behandeling ook steeds minder bijwerkingen heeft, is vooral succesvol bij borstkanker, dikke darmkanker, eierstokkanker, maar ook bij andere, minder frequent voorkomende tumorsoorten. Met name de beschikbaarheid van nieuwe, soms dure medicamenten is hiervoor van grote invloed.
Palliatieve behandeling
Onder palliatieve behandeling wordt verstaan een behandeling waarbij gepoogd wordt de levenskwaliteit te verbeteren en klachten en invaliditeit tegen te gaan of te voorkomen. Soms lukt het niet om een belangrijke verlenging van het leven te bereiken, maar is het door verstandig gebruik van de beschikbare antikanker-medicijnen wél mogelijk om kortademigheid te bestrijden, patiënten mobiel te houden, pijnklachten op te heffen, etc.
Tailored therapy
Naast de beschikbaarheid van nieuwe medicamenten zijn nieuwe diagnostische methoden van grote betekenis, waarmee de gevoeligheid van een individuele tumor voor een medicament kan worden voorspeld of waarmee het effect van een behandeling op een tumor al in een vroeg stadium kan worden gemeten. Deze ontwikkeling is zo belangrijk, omdat individuele gevallen van kanker zo verschillend van elkaar zijn. Zo kan de borstkanker van één patiënte erg gevoelig zijn voor een groot aantal medicamenten, terwijl de tumor van een leeftijdsgenote, die er onder de microscoop precies hetzelfde uitziet, volstrekt resistent is. Met behulp van biomarkers lukt het steeds beter om al vóór de behandeling vast te stellen welke behandeling kans van slagen heeft. Trastuzumab (beter bekend als Herceptin®), één van de dure medicijnen uit dit document, werkt bijvoorbeeld alleen maar als zich heel veel HER2-eiwit op het oppervlak van de tumorcellen bevindt. Dat is slechts bij 20 tot 25% van alle borstkankerpatiënten het geval en het gebruik van dit dure medicament is dus ‘verspilling’ als het HER2-eiwit niet of nauwelijks op het celoppervlak voorkomt. Helaas zijn dit soort methoden nog niet krachtig genoeg om in alle gevallen het medicamenteuze anti-tumor beleid te dicteren en elke behandeling blijft dus tot op zekere hoogte een ‘trial and error’ karakter behouden.
Vaak kan wel, bij uitgezaaide ziekte, kort na de start van een behandeling met moderne beeldvormende technieken (zoals CT, MRI, PET en andere methoden) een indruk worden verkregen van de respons van de tumor of van de uitzaaiingen. Als deze niet reageren of zelfs groter worden, is het medicament dus niet effectief en moet de behandeling worden gestopt of gewijzigd.
Van groot belang is ook dat patiënten heel wisselend bijwerkingen kunnen ervaren door medicamenten. Sommige patiënten krijgen bijvoorbeeld al na enkele paclitaxel-toedieningen last van zenuwprikkelingen en gevoelsverlies in handen en voeten. Als hun ziekte gunstig op de behandeling reageert, moet op dat moment worden overwogen om de behandeling te veranderen en een medicament met een soortgelijke werking toe te dienen dat minder schadelijk voor huidzenuwen is (bijvoorbeeld docetaxel). Het op rationele en verantwoorde wijze afstemmen van de medicamenteuze behandeling op de kenmerken en de respons van de tumor, maar ook op de tolerantie en de voorgeschiedenis van een individuele patiënt, wordt wel ‘tailored therapy’ genoemd. Door de vele beschikbare medicamenten, elk met zijn eigen werkingsmechanisme en spectrum van bijwerkingen, maar ook door de snelle vooruitgang van biomarkers en imagingtechnieken, wordt tailored therapy als de toekomst van de medische oncologie beschouwd. Voor de patiënt is het dus belangrijk dat een deskundige (dus zijn of haar medisch oncoloog) het beleid voert.
De commissie Beoordeling Oncologische Middelen (BOM) van de NVMO
Met name voor nieuwe geneesmiddelen die duur zijn en waarvan het niet direct duidelijk is dat de meerwaarde voor de behandeling afdoende bewezen en groot genoeg is, beschikt de NVMO over een commissie van deskundigen die de gepubliceerde gegevens beoordeelt. Deze commissie voert de beoordeling uit aan de hand van vooraf vastgestelde criteria. Deze zijn overigens alleen toepasbaar voor tumorsoorten en situaties die frequent genoeg voorkomen om vergelijkend onderzoek (‘gerandomiseerde trials’) toe te laten. De beoordelingen van de commissie BOM worden gepubliceerd in het tijdschrift Medische Oncologie en zijn daarnaast in te zien via de website van de NVMO (www.nvmo.org). Het oordeel van de commissie BOM wordt algemeen door de beroepsgroep als maatgevend beschouwd en in veel situaties wordt het gebruik van een nieuw medicament uitgesteld totdat de commissie BOM heeft gerapporteerd. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk wanneer er een echte ‘doorbraak’ wordt aangetoond, bijvoorbeeld een medicament een genezende werking blijkt te hebben [zoals trastuzumab (Herceptin®) bij de adjuvante behandeling van borstkanker] of wanneer een medicament een indrukwekkende levensverlenging blijkt te bewerkstelligen [zoals imatinib (Glivec®)bij Gastro-intestinale Stroma Tumoren] kan een Commissie oordeel overbodig zijn.
Conclusie
De steeds snellere vooruitgang op het gebied van de kankerbehandeling met medicijnen heeft letterlijk zijn prijs: met name de nieuwe medicijnen die medeverantwoordelijk zijn voor de steeds betere behandelingsresultaten zijn vaak erg duur en deze kosten kunnen artsen en patiënten, maar ook de ziekenhuizen en ziektekostenverzekeraars problemen opleveren. Iedereen is het erover eens dat er vooral geen verspilling moet optreden bij het gebruik van dure medicamenten, maar er kan discussie ontstaan over de vraag wat ‘verspilling’ is en wat ‘verstandig gebruik’. Welke medicijnen er dus wél en welke er niet gebruikt moeten worden, kan een moeilijke beslissing zijn. Artsen, hun patiënten en ziekenhuizen hebben vaak behoefte aan houvast bij het nemen van beslissingen hierover. Deze notitie geeft hierover het standpunt van de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie. Er bestaat onder deskundigen (medisch oncologen) een opmerkelijke consensus over dit onderwerp. Deze consensus is gebaseerd op de uitgebreide eigen ervaring, op de wetenschappelijke literatuur en op presentaties van collega’s uit de hele wereld (inclusief Nederland) op klinisch wetenschappelijke bijeenkomsten. Deze consensus is dan ook ‘dynamisch’, dat wil zeggen dat deze in de tijd kan veranderen. Naarmate er nieuwe medicamenten en nieuwe informatie beschikbaar komen, kunnen er indicaties worden toegevoegd of worden verwijderd. Door deze lijst te volgen, ontstaan er geen niet-acceptabele vertragingen tussen het moment waarop de levensreddende, levensverlengende of palliatieve werking van een bepaald medicament bekend wordt en het moment waarop de Nederlandse medisch oncologen het over de indicatie eens zijn. Hierdoor kan op efficiënte wijze eventuele ‘verspilling’ van dure medicamenten worden voorkomen, terwijl patiënten toch zo snel mogelijk kunnen profiteren van de nu gelukkig zo opmerkelijke voortgang in de klinische wetenschap.
LIJST MET INDICATIES
Hieronder worden de dure medicamenten die van belang zijn voor de medische oncologie kort besproken waar het hun indicaties betreft. Medicamenten en indicaties die niet voor de medische oncologie van belang zijn worden niet besproken. Hiervoor wordt verwezen naar de documentatie en/of consensus van andere (sub)specialismen, zoals de longoncologie en hematologie.
De specificatie van de indicaties is enigszins globaal gehouden. Voor welke patiënten het gebruik van een medicament wenselijk of noodzakelijk is, wordt bepaald door de medisch oncoloog binnen de in de onderstaande opsommingen opgegeven grenzen. Wanneer er meerdere medicamenten voor eenzelfde indicatie kunnen worden gegeven, moet de keuze hieruit worden bepaald op grond van eigenschappen van de tumor, karakteristieken van de patiënt (zoals gevoeligheid voor toxiciteit, comorbiditeit) en eerdere behandelingen en behandelingsresultaten. Zie ook het hoofdje ‘tailored therapy’ in de inleiding.
In zeldzame situaties, die te weinig frequent voorkomen om in de onderstaande opsomming te worden besproken, moet een medisch oncoloog de vrijheid hebben om op grond van eigen ervaring of ervaring van andere experts, op grond van werkingsmechanisme en/of specifieke kenmerken van de tumor, een duur medicament te gebruiken wanneer dit in het belang van de patiënt is en er geen gelijkwaardig ‘goedkoop’ alternatief is.
Docetaxel (Taxotere®)
Docetaxel is een breed-spectrum medicament met goed gedocumenteerde nuttige activiteit tegen een groot aantal solide tumoren. In feite is het werkingsspectrum zodanig breed, dat een formele beperking van de indicatie niet goed werkbaar is, met uitzondering voor een aantal tumorsoorten dat in de onderstaande lijst is aangegeven.
Verder is het werkingspectrum van docetaxel in zo hoge mate overeenkomstig aan dat van paclitaxel, dat bij alle tumoren waarbij paclitaxel geïndiceerd is docetaxel kan worden gebruikt wanneer bijwerkingen, zoals neurotoxiciteit, paclitaxel minder geschikt maken.
Borstkanker: Geïndiceerd bij de op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve behandeling
Colorectale tumoren: Niet geïndiceerd
Prostaatkanker: Geïndiceerd bij de levensverlengende en palliatieve behandeling
Overige maag-darmtumoren (anders dan colorectaal): Geïndiceerd bij de levensverlengende en palliatieve behandeling van oesophagus- en maagcarcinoom; soms bij pancreascarcinoom, m.n. wanneer behandeling met gemcitabine niet geschikt is Eierstokkanker: Geïndiceerd op genezing gerichte, levensverlengende en palliatieve behandeling, wanneer er bezwaren zijn tegen het gebruik van paclitaxel.
Overige gynaecologische tumoren (anders dan eierstok): In sommige gevallen geïndiceerd bij de op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve behandeling, met name wanneer er bezwaren zijn tegen het gebruik van paclitaxel
Overige urologische tumoren (anders dan prostaat): Niet geïndiceerd bij niercarcinoom
Hoofd-halstumoren: Geïndiceerd bij op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve behandeling
Adenocarcinoom metastasen van onbekende primaire tumor: In zeldzame gevallen geïndiceerd
Weke delen sarcomen: Geïndiceerd met gemcitabine bij leiomyosarcoom.
Zeldzame tumoren:
· Kiemceltumoren: geen (bekende) indicaties
· Trofoblast tumoren: geen (bekende) indicaties
· Neuroblastoom: geen (bekende) indicaties
· Ewing/PNET sarcomen: geen (bekende) indicaties
· Rhabdomyosarcoom: geen (bekende) indicaties
Irinotecan (Campto®)
Irinotecan heeft de belangrijkste activiteit bij de levensverlengende en palliatieve behandeling van colorectale tumoren. Irinotecan kan zelden ook gebruikt worden bij de palliatie van het pancreascarcinoom, m.n. in situaties waarin wanneer gemcitabine niet geschikt is.
Er zijn aanwijzingen dat ook bij andere tumorsoorten soms kortdurende responsen kunnen optreden, maar er is op dit moment onvoldoende bewijs voor werkzaamheid en/of voordelen t.o.v. andere medicamenten om het medicament hiervoor buiten studieverband in te zetten.
Gemcitabine (Gemzar®)
Gemcitabine is een breed-spectrum medicament met goed gedocumenteerde activiteit tegen een groot aantal solide tumoren. In feite is het werkingsspectrum zodanig breed, dat toevoeging van meer indicaties in de toekomst waarschijnlijk lijkt.
Borstkanker: Geïndiceerd bij de levensverlengende en palliatieve behandeling, maar alleen binnen de eerste of tweede lijn voor gemetastaseerde ziekte.
Colorectale tumoren: Niet geïndiceerd
Prostaatkanker: Niet geïndiceerd
Overige maag-darmtumoren (anders dan colorectaal): Geïndiceerd bij palliatieve behandeling van pancreascarcinoom en in geselecteerde gevallen voor adjuvante behandeling daarvan. Geen rol bij oesophagus/maagtumoren.
Eierstokkanker: Geïndiceerd voor op genezing gerichte behandeling in geselecteerde gevallen, geïndiceerd voor levensverlengende en palliatieve behandeling
Overige gynaecologische tumoren (anders dan eierstok): Geen indicaties
Overige urologische tumoren (anders dan prostaat): Urotheelcelcarcinoom; niet geïndiceerd bij niercarcinoom
Hoofd-halstumoren: geen indicaties
Adenocarcinoom metastasen van onbekende primaire tumor: In zeldzame gevallen geïndiceerd
Weke delen sarcomen: Geïndiceerd met docetaxel bij leiomyosarcoom.
In sommige gevallen heeft gemcitabine nog een nuttig effect in de salvage behandeling van kiemceltumoren en dient daarvoor dus beschikbaar te zijn.
Oxaliplatin
Oxaliplatin is een platinaderivaat, dat bijna alleen bij colorectale tumoren geïndiceerd is (d.w.z. voordelen biedt boven oudere en goedkopere platinerende medicamenten zoals cisplatin en carboplatin). Voor colorectale tumoren dient oxaliplatin dan ook in de op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve setting beschikbaar te zijn.
Bij oesophagus/maagcarcinoom is oxaliplatin even effectief als cisplatin en is soms het aangewezen middel om cisplatin te vervangen.
In sommige gevallen heeft oxaliplatin nog een nuttig effect in de salvage behandeling van kiemceltumoren en dient daarvoor dus beschikbaar te zijn.
Paclitaxel (Taxol®)
Paclitaxel is een breed-spectrum medicament met goed gedocumenteerde activiteit tegen een groot aantal solide tumoren. In feite is het werkingsspectrum zodanig breed, dat een formele beperking van de indicatie niet goed werkbaar is, met uitzondering van een aantal tumorsoorten dat in de onderstaande lijst is aangegeven.
In alle gevallen waarin docetaxel de voorkeursbehandeling is maar niet veilig kan worden gegeven (b.v. bij excessieve neuropathie), kan voor paclitaxel worden gekozen.
Borstkanker: Geïndiceerd bij de op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve behandeling
Colorectale tumoren: Niet geïndiceerd
Prostaatkanker: Niet geïndiceerd
Overige maag-darmtumoren (anders dan colorectaal): Levensverlengende en palliatieve behandeling van het oesofagus/maagcarcinoom
Eierstokkanker: Geïndiceerd op genezing gerichte (adjuvante), levensverlengende en palliatieve behandeling
Overige gynaecologische tumoren (anders dan eierstok): Bij diverse soorten geïndiceerd voor de op genezing gerichte, levensverlengende en palliatieve behandeling
Overige urologische tumoren (anders dan prostaat): Niet geïndiceerd bij niercarcinoom, geïndiceerd bij levensverlengende en palliatieve behandeling van urotheelcarcinoom
Hoofd-halstumoren: Soms als substitutie voor docetaxel; zelden bij schildkliertumoren.
Adenocarcinoom metastasen van onbekende primaire tumor: Geïndiceerd voor levensverlengende en palliatieve behandeling
Weke delen sarcomen: Geïndiceerd bij hemangiosarcomen
Zeldzame tumoren:
· Kiemceltumoren: geïndiceerd voor salvage behandeling of hoogrisico tumoren
· Trofoblast tumoren: geïndiceerd in geselecteerde gevallen
Trastuzumab (Herceptin®)
De enige indicatie voor dit monoklonale antilichaam is vooralsnog borstkanker, waarbij amplificatie van het HER2/neu gen is aangetoond d.m.v. een in situ hybridisatie techniek (zoals CISH of FISH) of met een “3+” positieve uitslag van de immunohistochemische kleuring.
Trastuzumab is geïndiceerd in de adjuvante situatie (alleen of in combinatie met chemotherapie) en in de gemetastaseerde situatie (levensverlengend en/of palliatief, in combinatie met chemotherapie en alleen).
Doxorubicine liposomaal
Dit is een breed-spectrum antitumor medicament dat een activiteitspatroon heeft dat vergelijkbaar is met dat van andere anthracyclines. De speciale formulering maakt het echter minder cardiotoxisch en speciaal effectief bij Kaposi sarcomen.
Borstkanker: Bij indicatie voor een anthracycline wanneer adriamycine of epiadriamycine gecontra-indiceerd zijn op grond van cardiale situatie
Colorectale tumoren: Geen indicatie
Prostaatkanker: Geen indicatie
Overige maag-darmtumoren (anders dan colorectaal): Geen indicatie
Eierstokkanker: Geïndiceerd in tweede of hogere lijn bij voortgeschreden ziekte
Overige gynaecologische tumoren (anders dan eierstok): Geen indicatie
Overige urologische tumoren (anders dan prostaat): Geen indicatie
Hoofd-halstumoren: Geen indicatie
Weke delen sarcomen: Zelden ter vervanging van adriamycine (bij cardiale contra-indicatie)
Zeldzame tumoren: Kaposi sarcoom, desmoïd tumoren (agressieve fibromatose)
Vinorelbine (Navelbine®)
Dit is een breed-spectrum vinca-alkaloïd met activiteit bij verschillende tumoren:
Borstkanker: Als onderdeel van levensverlengende of palliatieve behandeling, als single agent of in combinatie.
Colorectale tumoren: Geen indicatie
Prostaatkanker: Geen indicatie
Overige maag-darmtumoren (anders dan colorectaal): Geen indicatie
Eierstokkanker: Geïndiceerd in tweede of hogere lijn bij voortgeschreden ziekte
Overige gynaecologische tumoren (anders dan eierstok): Geen indicatie
Overige urologische tumoren (anders dan prostaat): Geen indicatie
Hoofd-halstumoren: Geen indicatie
Adenocarcinoom metastasen van onbekende primaire tumor: in sommige gevallen geïndiceerd
Weke delen sarcomen: Geen indicatie
Zeldzame tumoren:
· Kiemceltumoren: geen (bekende) indicaties
· Trofoblast tumoren: geen (bekende) indicaties
· Neuroblastoom: geen (bekende) indicaties
· Ewing/PNET sarcomen: geen (bekende) indicaties
· Rhabdomyosarcoom: geen (bekende) indicaties
Bevacizumab (Avastin®)
Bevacizumab is een monoclonaal antilichaam met anti-angiogene werking. Het werkingsspectrum is vermoedelijk breed, maar vooralsnog zijn er geen op genezing gerichte toepassingen en de levensverlengende werking is alleen nog gedocumenteerd voor colorectale carcinomen.
Bevacizumab is ook effectief bij mammacarcinoom en sommige andere tumoren. Voor borstkanker is er al een Europese registratie. Maar uit de ter beschikking staande gegevens blijkt nog geen levensverlengende werking en veel van de informatie is nog niet gepubliceerd en nog niet toegankelijk voor de beroepsgroep. Alvorens het medicament voor deze indicaties buiten studieverband te gaan gebruiken, wordt een uitspraak van de commissie BOM afgewacht.
Andere indicaties voor bevacizumab binnen de medische oncologie (in engere zin) zijn er vooralsnog niet. Zie echter de concensusdocumenten en/of richtlijnen van de longarts-oncologen.
Pemetrexed (Alimta®)
Pemetrexed is een antimetaboliet die bij vele tumoren activiteit heeft, maar niet altijd is het duidelijk dat deze activiteit groter is dan die van andere medicamenten uit de groep van de antifolaten. Pemetrexed is echter het enige medicament dat, met name in combinatie met cisplatin, effectief is bij mesotheliomen. Voor de levensverlengende en/of palliatieve behandeling daarvan is het dus geïndiceerd.
Andere indicaties voor pemetrexed binnen de medische oncologie (in engere zin) zijn er vooralsnog niet. Zie echter de consensusdocumenten en/of richtlijnen van de longarts-oncologen.
PaliferminGeen indicatie (zie echter consensusdocumenten en richtlijnen van de HOVON).
Cetuximab (Erbitux®)
De indicatie is vooralsnog beperkt tot planocellulair carcinoom van het hoofd-halsgebied, in combinatie met radiotherapie.
Er zijn aanwijzingen dat cetuximab ook bij andere tumoren, waaronder colorectaal carcinoom, activiteit heeft maar het oordeel van de commissie BOM in 2004 was dienaangaande nog negatief. Een verzoek tot herbeoordeling, waarbij gebruikgemaakt wordt van sinds 2004 verschenen gegevens, is inmiddels aangevraagd.
Auteurs: Prof. Dr. S. Rodenhuis, Prof. Dr. J. Verweij en Prof.Dr. E.G.E. de Vries namens de Nederlandse Vereniging voor Medische Oncologie
|